woensdag, november 06, 2002
Latinoland 21: Un Quilombo, En la Carpa y Moca de Ballenas
Jullie hebben weer even moeten wachten op een nieuw verhaal. Vorige week nog een week (ja, nóg een week!) in Buenos Aires doorgebracht en niet veel opmerkelijke dingen gedaan of beleefd. Op wat kleine dingen na natuurlijk....
Zo was er allereerst een bezoek aan het beroemde Café Tortoni. Mijn huisgenootje Fiona schrijft haar proefschrift over Latijns Amerikaanse schrijfsters en Café Tortoni is dé plek waar zich de intellectuelen, schrijvers en componisten ophielden en schijnbaar nog ophouden. Het café heeft een erg Parijse uitstraling, veel spiegels en glas-in-lood, sigarettenrook en met goud behangen dames van middelbare leeftijd. In een apart zaaltje wordt een tangoshow gegeven. We krijgen een prachtig plekje vooraan, en met een fles wijn en een bakje olijven genieten we van het enorm foute vermaak: Een zanger die op André Hazes lijkt, een te dik meisje dat een prachtige tango danst met een meneer in een hele blauwe broek en de eigenaar die als een grote glimmende aardappel rondloopt om iedereen tot meezingen te manen. Wat een kitch! Maar de muzikanten zijn fantastisch en het enthousiasme van publiek en performers is zeer aanstekelijk. Toch nog ergens een tango-CD op de kop tikken!
"¡Que quilombo!", één van de meest Argentijns-spaanse uitspraken die er bestaat. Officieel is een "quilombo" een bordeel, maar Argentijnen gebruiken het voor alles dat een puinhoop is. En dat is nogal wat, zeker de het afgelopen jaar: De banken, het verkeer, de regering: Un quilombo, un quilombo, un quilombo.... Wat zéker een quilombo was, was mijn huis de afgelopen week. Mijn twee Porteño-vrienden hadden besloten te verhuizen naar een meer centrale lokatie in Buenos Aires en het huis moest daarom stante pede worden opgeknapt voor nieuwe bewoners. De werklui die daarvoor waren ingehuurd brachten de dag door met het drinken van maté, het bellen van heel veel verschillende mensen en het werken op 5 verschillende plaatsen tegelijk. Daar was een hele plausibele verklaring voor, die ik ergens ben vergeten in de tijd tussen dat ik niet meer kon douchen (omdat ze het bad aan het verven waren) en dat ik probeerde te internetten in een kamer zonder meubels (terwijl naast mij iemand met een drilboor de muur aan het weghakken was). "¡Que quilombo!" Uit verhalen heb ik inmiddels begrepen dat veel werklui hier in veel gevallen erg hun best doen aan het Latino-stereotype te voldoen. Zo hoorde ik van een Nederlands gezin dat al een poosje in Sao Paulo woonde en waar een ruitje was geseuveld. Eén ruitje. Na een telefoontje naar de glaszetters kwamen er vijf werklui langs. Vijf. Voor één ruitje. Het duurde twee dagen voor het was vervangen. Want vijf werklui hebben heel wat bij te praten als ze elkaar al een poos niet hebben gezien! De Nederlandse man kon er inmiddels om lachen....
Maar uiteindelijk ben ik dan toch definitief (?) vertrokken uit Buenos Aires. Eerst maar een heel klein stukje, naar het piepkleine pampa-plaatsje San Antonio de Areco. Een busrit dwars door enorme velden vol koeien. Areco is zo'n plaatsje waar niemand zijn fiets op slot zet, de vleeswarenjongen in de "supermarkt" de volgende klant bij zijn voornaam aanspreekt en waar een aantal van die stoffige kleine kioskjes zijn, waar men werkelijk alles verkoopt (zodra men het heeft gevonden). Areco heeft een zekere faam opgebouwd als Gaucho-stad, met een museum geheel gewijd aan dit super-Argentijnse symbool. Veel zwepen, dolken, zadels en pistolen. Helemaal in het wilde westen. Het gastenboek, dat bijna geheel gevuld is met verhalen van Argentijnse bezoekers is vol trots. Zodra het heden een quilombo is gaan mensen hun verleden koesteren....In Areco verbleef ik voor het eerst sinds járen weer eens in een tent. Het landleven leek wel weer eens leuk na bijna twee maanden in de stad. Maar de afgelopen jaren, en zeker na ook nog eens twee maanden in een mode-bewuste stad als Buenos Aires, ben ik wel een ontzettende stadstrut geworden. Nog net geen hakken, maar met gelakte nagels en fancy zonnebril en al. En met de slappe lach opspringen als er tijdens het afwassen een dikke pad op je schoenen gaat zitten. Dat soort dingen. Waar ik dan wel weer helemaal trots op ben is mijn eerste geheel-eigenhandig bereide parilla. Want het zou geen Argentijnse camping zijn zonder minimaal twee dozijn barbecues op het terrein. En de "Bife de Lomo" die deze Hollandse daarop met de juiste portie geduld op heeft bereid, daar zou de gemiddelde Argentijnse asador (iemand die in een barbecue-restaurant werkt) nog een puntje aan kunnen zuigen. Zo.
Enkele dagen geleden dan eindelijk weer eens een échte busrit achter de rug. Na 20 uur bussen op zaterdag aangekomen in Puerto Madryn, Patagonië. Het landschap van Patagonië is ongelooflijk. Niet zozeer door schoonheid, als wel door de ongelooflijke leegte. Honderden kilometers lang niets anders dan gras en lage doornstruiken. Na 6 maanden Latijns Amerika kan ik me nog steeds verbazen om het ongebruikte land, de verlatenheid die je niet alleen hier, maar in álle landen die ik ben gepasseerd tegenkomt. In het noorden van Perú schijnen delen te zijn waar je gewoon naartoe kunt gaan met je naambordje en je rol prikkeldraad om een willekeurige lap grond te claimen. Zodra je het gaat bebouwen of beplanten is het van jou.... Onvoorstelbaar voor iemand opgegroeid in de Hollandse Randstad waar iedere vierkante centimeter is bezet!
Maar terug naar Patagonië. Puerto Madryn is, naast een haven, dé uitvalsbasis voor mensen die Peninsula Valdes willen bezoeken, een schiereiland en nationaal park dat beroemd is om zijn fauna. Toen ik me op maandagochtend meldde om met een tour mee te gaan, bleek de stress op het kantoortje van de travel agency een beetje toegeslagen. De enige engelstalige gids bleek ziek en nu zat de eigenaar met een spaanse gids en een half busje mensen die alleen engels spraken. Maar als ík nou even zou vertalen, kreeg ik de volgende dag een andere tour gratis... Niet gedacht dat mijn opgedane kennis van het spaans al zo snel iets op zou leveren!
Onze gids heette Monica, een enorme blonde Argentijnse, met een welluidende lach en een onuitputtelijke kenis van (onder meer) het sexleven van de complete fauna van het schiereiland: "De penis van een Ballena franca austral (walvis) is tussen de 1 meter en 1,80 meter lang." Scary!
Onze eerste stop was Puerto Piramides, waar we inscheepten op een bootje om de walvissen te bekijken die in de baai van het schiereiland hun kinderen krijgen en bescherming zoeken tegen de orcas. De eerste walvismoeder met kind kwamen we al na een tiental minuten uit de kust tegen. Op een meter of tien van de boot verdwenen eerst een enorme staart en daarna een kleinere (maar toch nog steeds een erg grote) in het water. Die ochtend hebben we zeker 15 verschillende walvissen gezien. Van de vissen zelf (pardon, zoogdieren) zie je niet veel meer dan de bulten en staarten die zo nu en dan boven het water uitkomen. Maar de grootte en het geluid van de ademhaling is onbeschrijflijk. De naam "Ballena franca" wil ondermeer zeggen dat het franke, nieuwsgierige en bepaald geen teruggetrokken dieren zijn. Sommige taferelen waren dan ook onvergetelijk. Zeker de "kleintjes" leken af en toe echt met de boot te spelen. Ze kwamen op aanraakafstand, bliezen hun "moca" (snot) in je gezicht en doken dan met hun enorme lijven onder de boot door. Al die tijd wijkt moeder walvis niet van hun zij. En als ze dan definitief onderduiken om een ander speeltje te zoeken durft iedereen op de boot eindelijk weer adem te halen....
De tocht over het eiland gaat verder naar Caleta Valdes en Punta Norte. Onderweg veel guanacos (soort llamas), nandú (soort struisvogels) en amadrillos. Aan de kust huizen kolonies zeeolifanten. Wel eens een klomp vet van 4000 kilo met het geluid van een buitenboordmotor enthousiast over het strand zien schuiven? Dat is wat je ziet als je het "eerste mannetje" van een zeeolifantenkolonie bezig ziet. Het strand ligt vol vrouwtjes die lui in de zon liggen en af en toe hun best doen uit de weg te blijven van die dikzak, terwijl in een nabij ondiep poeltje zeker 20 kleine zwarte "pups" rondspartelen. Het is prachtig om een poos in de zon te zitten en de bewegingen van deze kleine gemeenschap te bekijken.
En sommige mensen weidden daar hun hele leven aan. Op Punta Norte woont Roberto, een onderzoeker en natuurbeschermer, alleen met zijn paard. Hij zit daar al tien jaar, niet zozeer voor de olifanten als wel voor de orcas, die bij hoog tij komen om te langzame olifanten van het strand te pikken. Hij kent ze allemaal, de orcas, en zij kennen hem. Hij speelt mondharmonica voor ze en heeft de meest verbluffende fotos en verhalen. Orcas, zo beweert hij, zijn de meest intelligente dieren die er bestaan, omdat ze om hun doden treuren, net als wij mensen. En zo vertelt Roberto hoe de bewoners van Caleta een aantal maanden terug verbaasd toekeken toen een groep orcas in een lange stoet kwam aanzwemmen. Niet springend over de golven, zoals normaal gesproken, maar in een lange, statige rij. Pas toen ze dichterbij kwamen zagen de bewoners hoe de voorste orca, een vrouwtje, een kleine orca in haar bek droeg. En hoe de andere orcas haar begeleiden als de begrafenisstoet voor haar overleden jong.
De excursie van gisteren ging naar Punta Tombo, een grote pinguinkolonie zo'n 200 kilometer ten zuiden van Madryn. Waar iedereen op maandag vooral onder de indruk was en bezig was zijn adem in te houden, werd er gisteren vooral veel gelachen. Pinguins hebben zulke menselijk trekjes dat ze onvermijdelijk op je lachspieren werken. In Punta Tombo loop je er middenin, zeker nu de helft van de pinguins (mannetjes én vrouwtjes, ze delen het heel ge-emancipeerd!) op eieren ligt te broeden. Ik heb een paar uur lang genoten van hun oude-herengedrag als ze het water inliepen, het bijna arm-in-arm lopen van sommige pinguinstelletjes en vooral hoe ze gezellig terug gaan staren als je jou zien kijken.
De komende dagen wordt de reis naar het zuiden verder voortgezet!
dinsdag, oktober 22, 2002
Latinoland 20: Vino, Argentinos en la Nieve y Theorias de Ignacio
Het heeft even geduurd...mijn vader heeft me bezig gehouden!
Alweer twee weken geleden heb ik mijn vader 's ochtends vroeg kunnen ophalen van het vliegveld, om twee weken samen te gaan reizen. Hij kreeg gelijk een prachtige les in Latijnsamerikaanse organisatie: Twee douane-uitgangen die uit elkaars zicht liggen, zodat je toch in ieder geval 50% kans hebt dat je je wachtende familieleden treft.
Natuurlijk moest er veel bijgepraat worden, en voor Jan, ook veel kennisgemaakt. Met de stad, het Latijnsamerikaanse verkeer (taxichauffeurs die over de passagiersstoel liggende met één hand het raampje gaan dichtdraaien terwijl ze een truck inhalen), Argentijnse biefstukken, Argentijnse wijn, Porteños en hun begroetingsrituelen (Vandaag weer een gesprek, opgevangen tussen klant en winkelier: "Hoe gaat het ermee?" "Fantastisch!" "Daar ben ik blij om!"). Zaken die voor mij al gewoon zijn geworden, waren voor Jan nog helemaal nieuw, iets dat dan weer heel leuk en gezond was voor mij.
Dan waren er een aantal kennismakingen die voor mij gelijk een afscheid inluiden. Allereest van mijn huisgenoten. Afscheid in de vorm van een verjaardagsfeest voor Martin, één van mijn porteño huisgenoten, met een ontstellende hoeveelheid drank en taart. En natuurlijk van Hecho, waar Jan uitgebreid werd gezoend door één van mijn vrolijke mannelijke straatvrienden.
Na drie dagen Buenos Aires hebben we de bus genomen naar Mendoza. Een busreis van 13 uur, maar zo confortabel dat Jan eigenlijk wel de hele tijd zo had willen reizen. Leren stoelen (ze moeten wat met dat biefstuk-restafval) waarbij de businessclass in een vliegtuis zou verbleken...
Mendoza bleek een heel leuk stadje, met overal prachtig betegelde pleintjes en fontijntjes en een heerlijke kleinstadse atmosfeer. Het stadje ligt in het Cuyo-district, waar 80% van de Argentijnse wijn vandaan komt. De druiven zijn destijds meegenomen door de Europeanen en bleken het in het droge, maar geirrigeerde Mendoza prima te doen. Tot voor 20 jaar geleden verdween de volledige wijnoogst in de buiken en kelders van de Argentijnen, maar de laatste jaren wordt er meer en meer geexporteerd. En terecht! Zelfs voor de studentenprijzen die wij in het huis betalen (vanaf 1 (één!) euro) voor een fles, ben ik eigenlijk nog geen slechte wijnen tegen gekomen. Al met al kun je geen beter excuus verzinnen om minimaal één nieuw flesje per dag te proberen. De tweede dag in Mendoza hebben we helemaal in het teken gesteld van de wijn. Eerst een aantal bodegas bezocht, een rondleiding gekregen en al om half elf Žs ochtends aan het eerste proefglas, samen met een buslading Argentijnse bejaarden, die allemaal op ons gingen proosten toen ze hoorden dat we uit Nederland kwamen. De jongen die ons rondleidde moest natuurlijk nog wel even vermelden dat San Felipe ook naar Nederland wordt ge-exporteerd. Dus willen jullie proeven wat wij hebben geproeft: www.bodegalarural.com.ar
De tweede bodega was piepklein, er werkten slechts 5 mensen. Prachtige wijnkelder waar 1 mevrouw met de hand alle etiketten aan het vastplakken was. En gewandeld tussen de olijfbomen en druivenplanten met uitzicht op besneeuwde bergtoppen.
Terug in Mendoza was het tijd voor een wijnbar. Genoten van een paar heerlijke glaasjes en een berg kaasjes, olijven en ham. De eigenaar, een jonge jongen die in ons onmiddellijk een stel connesseurs herkende (hum...?!) blééf nieuwe flessen aandragen en nodigede ons uit om die avond gezellig terug te komen, wat we natuurlijk hebben gedaan. De volgende dag was een weinig productieve....
Vanuit Mendoza zijn we een dag de bergen ingeweest. De internationale weg naar Chili (Mendoza ligt zo'n 200 km van de grens) biedt spectaculaire uitzichten op de hoogste pieken van het continent. De tour waar we mee gingen was even schrikken. Niks geen kleine 4WD, maar een complete bus vol Argentijnse gezinnen en één verdwaalde Japanse jongen die geen Spaans en 3 woorden Engels sprak. De eerste stops stond ik vol verbijstering te kijken naar de enorme hoeveelheid mensen die zich voor nog grotere groepen mensen lieten vereeuwigen voor historische bruggen en vergezichten. Want met onze bus waren we terecht gekomen op een punt waar nóg 4 bussen van hetzelfde formaat stonden. Ik houd mezelf graag voor de gek met het idee dat ik als enige toerist de Andes door dartel en heb fotos van de brug dan ook verder maar laten zitten. Dankzij onze geweldige gids slaagden we er uiteindelijk in de andere bussen min of meer af te schudden en hebben we gelukkig uitgebreid kunnen genieten van de relatieve rust, de varieteit aan kleuren en de de waanzinnige indrukwekkende bergpieken. Er werd gestopt voor een stuwmeer en de Aconcagua (de hoogste berg van Latijns Amerika met meer dan 6900 meter). De Puenta del Inca, waar thermaal water door allemaal kleine gaatjes naar boven borrelt, dat een prachtige gele (van het sulfaat in het water) natuurlijke brug op heeft gelevert. Waar ze overigens ook weer hun best hebben gedaan op vreselijke souvenirs: Alle rotzooi die mensen ooit in het water hebben laten vallen (Blikjes, kinderschoentjes, mutsen) en die door de minelralen in het thermaal water zijn versteend kun je voor een habbekrats meenemen. Leuk. Een andere stop was Los Penitentes, een skioord in de wintermaanden, waar we werden losgelaten om een poosje in de sneeuw te spelen. Dat lieten de Argentijnen zich geen twee keer zeggen! Velen van hen hadden moonboots gehuurd en de combinatie witte benen-korte broek-moonboots was onvergetelijk! Ook mooi om te zien dat skihotels er blijkbaar over de gehele wereld hetzelfde uitzien! Dan was er nog de hoogste stop, vlak voor de grens met Chili, het plaatsje Las Cuevas. In hoogzomer kun je hier nog verder de berg op. Maar met zo'n 5 meter sneeuw op de weg was het bordje "Intransitable" (ontoegankelijk) misschien wat overbodig!
Vanuit Mendoza wegens de korte tijd met het vliegtuig naar Salta, bijna tegen de grens met Bolivia. Het wordt eens te meer duidelijk dat er nauwelijks sprake is van één Argentinië (net zoals er niet één Peru of één Bolivia is), want ineens, na bijna 2 maanden Europa zit ik weer volop in de Andes-cultuur: dames met vlechten, vuile schoenpoetsjongetjes, markten met veel vreemde aardappelen, llamas en een plein waarop ik me zo terugwaan in Arequipa, Peru.
Vanuit Salta hebben we een twee-daagse tocht ondernomen door de Quebrada de Humahuaca, een vallei vol piepkleine dorpjes, waar indigene gezinnen al generatie op generatie dezelfde oogst binnenhalen, naar de kerk gaan en op dezelfde wijze op de plaza met de buren praten. Na de volle bus van de vorige keer hadden we besloten tot een iets andere aanpak: een piepklein Ford-K-je met daarin onze privé-gids Ignacio.
Weer twee dagen lang adembenemende berggezichten. De bergen in de Quebrada bevatten verschillende metalen, die zorgen voor een waar schilderspallet aan kleuren. In het plaatsje Pumamarca, waar we in een práchtig Trisha Guilt-style hotel de nacht doorbrachten, staat ligt zelfs de beroemde berg met de zeven kleuren. Meer nog dan de bergen, kleuren en cactussen was ik weg van de kleine dorpjes. Met kerken waarin iemand uitgebreid de tijd neemt je de schilderijen uit te leggen. Met kinderen die voetballen in de blubber. Met dames met schaapjes aan een lijntje. Met vaders met kinderen op de fiets. Met verlegen zusjes die bést op de foto willen.....
En of dat allemaal nog niet genoeg was bleek Ignacio op zichzelf al een attractie. Zijn leeftijd wilde hij niet onthullen (Je bent zo oud als je je voelt), maar afgezien van een onuitputtelijke kennis van het gebied had hij antropologie en archeologie gestudeerd, sprak hij Spaans, Portugees, Italiaans, Engels en twee indiaanse talen en had hij tussendoor nog tijd gezien 2 kinderen te krijgen, boeken te schrijven en een CD op te nemen met zijn eigen muziek. Gestudeerd bij de Jezuïeten, academisch opgeleid en nog steeds een verklaard katholiek was hij niet de meest voor de hand liggende persoon voor de discussies die we 's avonds hadden. Op de één of andere manier staan in Nederland hoog-opgeleid en/of gelovig en andersinds spiritueel op gespannen voet. Maar wie ooit wel eens een boek heeft gelezen van Isabel Allende of Gabriel Gracia de Marquez, weet dat dat in Latijns Amerika helemaal niet zo hoeft te zijn. Spiritualiteit zit door de nabijheid van de natuur en de indiaanse volkeren veel meer verweven met het dagelijks leven. Dus hadden we het 's avonds onder het genot van een wijn en een comida typica (streekgerecht) over Indiaanse mythen, Einsteins wiskundecijfers, levitatie, het verband tussen Stonehenge, de Inca-tempels en de pyramides in Egypte, kennis van een hogere macht, buitenaardse wezens en de overeenkomsten tussen wereldreligies.
Inmiddels ben ik ben weer terug in Buenos Aires en is mijn vader weer op huis aan. Hij schreef me dat hij nog wel even zal moeten bijkomen van alle indrukken!
Ondertussen zijn er weer nieuwe mensen in mijn huis en wacht ik de komst van een aantal oude vrienden nog even af, terwijl ik mijn trip naar het zuiden van Argentinië plan.
Hasta pronto!
maandag, oktober 07, 2002
Latinoland 19: Noticias, Polo y Decir NO
Mijn laatste weekje Hecho, mijn laaste dagen Buenos Aires. Morgen komt mijn vader langs om twee weken samen te reizen. Hoewel ik hier nog wel een aantal dagen zal doorbrengen heb ik de afgelopen week toch al een beetje afscheid genomen van de stad. En het valt me zwaar... Net nu ik de weg begin te kennen, nieuwe mensen in het huis wegwijs maak, zelfs Porteños de juiste busstop wijs en me bij Hecho echt nuttig begin te maken ga ik weg! Buenos Aires is een klein beetje mijn thuis geworden, waar ik als eerste stad ook qua kleurtje een beetje kan opgaan in de bevolking. Dus dan toch maar even een opsomming van die dingen die Buenos Aires Buenos Aires maken en die ik zo ga missen:
* Groeten: het begroeten van nieuwe vrienden (lees: iedereen aan wie je je voorstelt of wordt voorgesteld) met één zoen. Como estas?...en ze willen het antwoord nog horen ook! Maar ook het groeten van (ok, zónder zoen) de mensen in mijn buurtje die ik heb leren kennen: de beveilingingsman van de winkel op de hoek die altijd een beetje hoffelijk naar me buigt, de kassiére van de supermarkt die verliefd is op prins Philippe van Spanje, de jongen van de kiosk die muntjes spaart en de jongen op het treinstation die altijd zo moet lachen als ik weer eens bíjna mijn trein mis.
* De blikken op de stad: Rijden met de bus over 9 de Julio, die achterlijke 16-baans autobaan; Plaza de Mayo in de zon, met palmbomen en duiven; De enorme vlag op Plaza San Martin.
* De Porteños: Hoe gaat het? Waar kom je vandaan? Kan ik je helpen? Ben je verdwaald? Ow, ik ben dól op Holland! En als er ook maar een sprankje zon is zoeken ze met zijn allen het dichtsbijzijnde stadspark op, om daar zo nakend mogelijk te gaan liggen, mét thermos en maté natuurlijk (en de hond, voetbal, kroost, oma, barbecue, stereo en picknickmand...)
* De faciliteiten: Heerlijke restaurants, gezellige barretjes, mijn gym (zónder uitsloverige mannen!) prachtige kleding, enorme boekwinkels... (en met 3.7 peso voor een dollar zou je ze nog bijna leegkopen ook...)
Mijn vader laat me over de mail weten dat hij het jammer vindt de aankomende twee weken de soap van de Nederlandse politiek te moeten missen. En hoewel LPF jullie behoorlijk bezig weet te houden, is de Argentijnse soap zeker ook de moeite waard! Vorige week heeft buurman Lula, de Braziliaanse presidentskandidaat waarover ik jullie al eerder vertelde het gewaagd Argentinië (on camera) een Republiekje en een slecht voorbeeld te noemen. De Argentijnse media raken er niet over uitgebriest. Nu staat Lula al niet bekend om zijn subtiele uitlatingen (in dezelfde speach moest andermaal de VS het ontgelden), maar er zijn betere manieren om je buurland aan je te binden! Ondertussen proberen Argentijnse politici driftig een accoord te bereiken met het IMF en de Wereldbank om toch maar niet de torenhoge schulden te hoeven betalen die in December afgelost zou moeten worden. En dan is er de nieuwe wet die men geaccepteerd probeert te krijgen. De wet moet ervoor zorgen dat alle 2.3 miljoen straatarme kinderen tot vijf jaar en zwangere vrouwen recht hebben op een bepaalde basisverzorging. Met name in de Chaco-provincie in het noorden van Argentinië is de nood op het moment hoog en de wet moet ervoor zorgen dat deze groep in ieder geval te eten heeft. Voor het accepteren van de wet zijn 400.000 handtekeningen (1,5% van het electoraat) nodig, en als je de rijen geduldig wachtende Porteños ziet voor de straatstandjes met handtekeningenformulieren, komen die er wel.
Alsof het contrast tussen de verkopers van Hecho en mijn eigen leven nog niet groot genoeg is heb ik vorige week, direct na thuiskomst van Hecho, een bezoek gebracht aan Argentiniës nr.1 sport. Verbazingwekkend genoeg is dat geen voetbal, maar polo! Twee jongens van onze gym namen Daniel en mij mee naar de belangrijkste countryclub van Buenos Aires. Hoewel ik toch inmiddels wel wat gewend ben keek ik mijn ogen uit bij de gigantische huizen op het terrein. De polo-wedstrijd zelf vond plaats op een enorm groot en gladgeschoren grasveld. Langs de kant veel Ralph Lauren, hoedjes, Gucci-brillen en baretten. Het spel begreep ik niet echt, af en toe waren de spelers zo ver weg dat ik de bal nauwelijks kon onderscheiden, maar het geluid van acht aanstormende paarden was indrukwekkend! En wat voor paarden! Volgens één van de staljongens die we spraken zijn polopaarden Argentiniës enige exportproduct dat, hoewel misschien wat niche, nog in de lift zit. Maar de mooiste paarden houden ze lekker zelf...En het is dan toch weer leuk om te zien dat het eigenlijke verschil tussen de mensen op het polo-veld en die in Hechos wankele kantoor, misschien maar denkbeeldig is. Die ochtend bij Hecho en die middag tussen de hoedjes beland ik in dezelfde discussie: Is het beste voetbalteam van Buenos Aires Boca of River?
De laatste week bij Hecho was geen gemakkelijke. Hoewel het werk zelf en het converseren met de verkopers me steeds makkelijker afgaat worden ook de scherpe kantjes duidelijk. Het lijkt wel of iedereen deze week zonder geld zit. Op één dag komen er zeker 15 man vragen om revistas fias (tijdschriften op de pof). De schulden die de verkopers bij Hecho hebben worden bijgehouden in een schrift en hoewel de regels hier en daar wat te buigen zijn worden er wel grenzen getrokken. Heeft iemand een aanzienlijke schuld (meer dan een peso of 5, om die op te lossen moeten er 6 tijdschrifeten worden verkocht en niets uitgegeven) zitten fias er niet zomaar in. Ze moeten dan eerst met Jorge praten en uitleggen hoe ze het denken af te lossen. Ik ben dus (gelukkig) niet degene die de uiteindelijke beslissing moet nemen, maar als er een oudere Malvinas-veteraan (die altijd erg mooi gedichten voor me declameert) voor mijn neus staat die dreigt zijn kamer kwijt te raken als hij niet heel snel met geld aankomt, kost nee-zeggen toch erg veel moeite....Gelukkig maakt dat me een echte Latino! Ik bevind me in een cultuur waar No als een onbeleefd woord wordt gezien, hetgeen mij met mijn Hollandse directheid en liefde voor duidelijkheid soms in de problemen brengt. Van Bolivianen die je de hele stad doorsturen omdat ze simpelweg niet wéten waar de gevraagde weg zich bevindt en die dus maar wat zeggen, tot de dueños van mijn huidige hotel die werkelijk iédere gast laten komen (Natuurlijk hebben we plaats!), zodat ze van de week een extra kamer hebben moeten maken in de garage... Het is even wennen...
Maar terug naar Hecho... Waar ik me van de week een breuk heb gelachen toen ik de enorme massa kleren uitzocht die Porteños hadden achtergelaten voor de verkopers. Veel mensen hadden duidelijk niet echt nagedacht bij het inpakken, want naast veel kapotte en vuile kleding (yuck!) zaten er ook veel sexy uitgaanstopjes, stropdassen en zelfs iets dat leek op een buidsmeisjesjurk tussen de berg....niet heel erg praktisch voor het leven op straat. Het stempelen van de tijdschrifen vergt speciale aandacht. De meeste verkopers zijn buitengewoon zuinig op hun handelswaar. Sommigen maken er een complete winkel van, met de tijdschrijften in plastic hoesjes en oudere uitgaven voor een speciaal prijsje ernaast. Prachtig om te zien. Een ander opvallend punt is het enorme gemeenschapsgevoel dat er heerst. Zelfs de meest platzakke verkoper deelt zijn (droge) brood en laatste sigaretten met de andere verkopers en zelfs met ons. Meebegrachte kinderen en de hond van Jorge worden platgeknuffeld. En toen ik van de week met Daniel en onze nieuwe huisgenote Fiona over het Plaza de Mayo liep werd ik geroepen door een groepje verkopers die gezellig met z'n allen in de zon zaten. We werden onmiddellijk uitgenodigd om erbij te komen zitten en mee te delen in wijn uit pak (25 eurocent in de supermarkt, zag ik later) en buitengewoon smerige likeur met cola. Gezellig was het wel. En en passant werd er nog een mede-zwerver gered die met zijn dronken hoofd was gevallen en overvloedig bloedde uit zijn neus. Waar alle passanten snel verder liepen gingen twee verkopers een ambulance bellen.... Gemeenschapsgevoel. Een gesprek met één van de verkopers bracht onder woorden waar ik al twee weken mee rondliep. Hij vroeg zich af waarom ik dit werk deed, werken met deze lage mensen (zijn woorden). "Maar het zijn goede mensen, toch?" bracht ik in. "Jazeker, goede mensen met slechte problemen", was zijn antwoord. Hoe kan het toch, dacht ik deze week steeds vaker, dat sommige mensen het leven zo zwaar valt? Dat je, zoals Ezie, 18 jaar bent, een prachtige jongen om te zien, gezond en slim, en dat je steeds vaker dronken en onder de blauwe plekken binnen komt zetten. Dat je 's nachts dus vecht om stomme dingen, zoals een paar centavos, of een oude krant. Hoe kan dat toch? Waar gaat het mis? En dat je aan de andere kant ook successtories ziet, zoals de twee broertjes die dagelijks om 9 uur magazines komen kopen en er gezamelijk op een dag minimaal 60 afzetten. Wat is het verschil? Ik ga ze missen. Ze hebben me enkele weken lang een blik gegund in een leven dat ik niet ken, hun verhalen gedeeld en me , voor zover ik dat nog niet was, compleet doordrongen van het nut van dit geweldige project.
Willen jullie binnenkort allemaal een straatkrant kopen alsjeblieft? Gracias!
Labels:
Argentinië,
Latijns-Amerika,
vrijwilligerswerk
zaterdag, september 28, 2002
Latinoland 18: Fin de semana, Lunfardo y Dolores del Pasado
De lente is begonnen! Nee, niet voor jullie, maar aan "mijn" kant van de wereld! In Nederland bedenk je je na drie weken regen in april dat het eigenlijk al lente zou moeten zijn, in Argentinië wenst men elkaar een "Feliz día de la Primavera" (Gelukkige lentedag) en lijkt het weer nog te gehoorzamen ook...misschien moeten wij dat ook maar gaan doen. In Buenos Aires waren er veel lentefeesten en -markten, maar eigelijk is dat niets bijzonders. Op een doordeweekse lunchpauze wordt al duidelijk dat porteños diep in hun hart hetzelfde zijn als alle Latinos: ze leven niet om te werken, maar om in het park in de zon te liggen. En in het weekend wordt er gebarbecuet, er worden markten bezocht, dagtripjes ondernomen en uitgegaan tot de volgende ochtend.
Str
Ook ik heb afgelopen weekend erg "porteño" doorgebracht. Op vrijdag en zaterdag heb ik met mijn twee Amerikaanse huisgenoten een bezoekje gebracht aan een door porteños geliefde weekendbestemming: het plaatsje Colonia in Uruguay. Slechts 2,5 uur varen met de boot, maar het feit dat je weer helemaal in- en uitgestempeld moet worden en met ander geld moet betalen, maakt dat je je helemaal in het buitenland voelt. Colonia bleek een schattig plaatsje met huisjes die meer portugees dan spaans aandeden, een heerlijk strand en mooi weer en een spectaculaire zonsondergang. Verder bleek dat mensen uit Uruguay, meer nog dan hun Argentijnse buren verslaafd zijn aan maté, een thee-achtig kruid dat een groene smurrie vormt in je beker en door een soort rietje wordt gedronken. Een Urugauyaan (ehm...?!) gaat nergens heen zonder zijn thermosfles en zak maté onder de arm. Klaar om op ieder moment gedeeld te worden met buren, vrienden of willekeurige voorbijgangers. Nee, ik vind het niét lekker....Op zondag heb ik een bezoek gebracht aan één van de ontelbare Ferias die Buenos Aires rijk is. Bijna iedere wijk heeft zijn eigen weekendmarkt, vaak met kraampjes vol gevoetverfde schilderijtjes van tangokoppels en maté-rietjes, speciaal voor de drie toeristen die Buenos Aires rijk is. De Feria de Mataderos daarentegen is nog een zeer authentieke familie- en rommelmarkt. Veel taarten, illegale CDs, barbecues, clownsoptredens voor de kinderen en tweedehands kleding. Erg veel plezier gehad met hele families die op de foto wilden met hun barbecue, voetbalshirts of koopwaar.
De afgelopen maanden heb ik (ja, zelfs in Brazilië) Castillano gesproken, de naam die Latinos geven aan hún Spaans, om het te onderscheiden van dat vreemde sissende Spaans dat in Spanje wordt gesproken. Lezen, verstaan en vooral spreken gaat vrij vloeiend, hoewel de grammatica nog steeds wat rammelt. Helaas spreken Argentijnen (en dan vooral porteños) geen begrijpelijk Castillano maar, zoals één van de Hecho-verkopers aangaf "un quilombo" (een puinhoop), een Castillano met idiote "zj"-klanken, een Italiaanse tongval (met dank aan de vele Italiaanse immigranten) en doorspekt met Lunfardo. Lunfardo is het Argentijns van de straat, zoals dat aan het begin van de eeuw werd gesproken door mensen van twijfelachtig allooi, maar wat inmiddels is geadopteerd door een groot deel van de bevolking. Mannen, vrouwen en kinderen worden aangesproken met "Che!" ("Hey"), een Boludo is een idioot van het mannelijk geslacht en iemand die no lo doy bola zegt zal het werkelijk aan zijn *** roesten. Bij Hecho is het dan natuurlijk helemaal feest. Zelfs de meest doorgewinterde Lunfardosprekende porteño weet zich af en toe geen raad met het (soms tandeloze) gemompel van sommige verkopers. Gelukkig worden niet altijd echte antwoorden van je verwacht en volstaat een nietszeggend terugmompelen meestal ook....
De week bij Hecho was weer een aaneenschaking van momenten voor een tv-show: Op maandag nam één van de verkopers bloemen mee voor mij en de twee andere meisjes die op dat moment achter de toonbank stonden. Lichtelijk uitgebloeid, maar niet minder lief natuurlijk. Verder moest Betiana (een van de medewerkers) een aantal nieuwe verkopers de regels en organisatie uitleggen. Hierbij werd ze lichtelijk tegengewerkt door een overbehulpzame bejaarde verkoper die er continu doorheen kwam met tips uit het veld en nogal onduidelijke anekdotes. Raoul kwam op dinsdagochtend om negen uur al licht beschonken binnenzetten. Hij bleef maar gewoon hangen, half slapend en iedereen begroetend met wel érg aanhankelijke knuffels want verkopen mogen de verkopers niet als ze hebben gedronken. Een andere verkoper moest geholpen worden met het schrijven van een brief: Als dít een envelop is, schrijf je híer de naam en het adres waar het heen moet en plak je dáár een postzegel.... Woensdag had ik mijn camera meegenomen voor wat foto's. De eerste fotos werden stijf geposeerd, maar toen ik ze ook zelf een paar fotos liet nemen werd het steeds grappiger en spontaner. Iedereen moest apart, met mij én met een groep op de foto. Natuurlijk willen ze allemaal een afdrukje, wat ik maar snel moet gaan regelen, want het uitwisselen van adressen met een dakloze is nu eenmaal niet eenvoudig. Op donderdag zou Perdro gaan vissen en kwam hij vragen of hij voor iemand wat kon meebrengen. Mij leek het wel wat, een lekkere verse vis, maar Jorge was wat minder enthousiast bij het idee dat iemand vis ging verhandelen vanuit het kantoor. Zit ook wel weer wat in. Een andere verkoper vroeg of ik graag las. Zeker! Hij had een erorm boek bij het afval gevonden en vroeg zich af of hij me daar een plezier mee kon doen. Ik heb maar uitgelegd dat het lezen van een duidend-paginas lang boek in het oud-Spaans mij waarschijnlijk ongeveer 100 jaar zal kosten.
Een wandeltocht door de stad levert nog steeds beelden van de crisis op. Ondergekladderde muren, gebaricardeerde banken (grote metalen schermen, gebutst door demonstranten die er tegenaan hebben geslagen) en iedere dag weer nieuwe manifestaties. Gisteren stond het plein voor een lokale bank vol met gemeentemedewerkers: stratemakers, doktoren en ambulancepersoneel uit het staatsziekenhuis en brandweermannen die allemaal al meer dan 3 maanden geen salaris hebben ontvangen. Maar naast alle huidige probelemen blijft er in dit land ook nog genoeg oud zeer...
Op de Feria de Mataderos kom ik een Malvinas-veteraan tegen die met zijn hele handel van oude legerspullen op de foto wil. Ook bij Hecho hebben we er een aantal rondlopen. De Islas Malvinas zijn in Europa beter bekend als de Falkland-eilanden, horend bij Groot-Brittannië. Hier in Argentinië staan ze echter op iedere kaart als: Islas Malvinas (Arg.). De eilanden in een conversatie met Argentijnen aanduiden als Falklands getuigd van slechte smaak en kan je, afhankelijk van je gezelschap, te staan komen op zeer boze blikken. De Argentijnen claimden de Britse eilanden al 1,5 eeuw, toen de dictator van dat moment, naarsitig op zoek naar iets leuks om zijn imago op te veizelen, begin jaren 80 besloot ze dan nu eindelijk maar eens terug te winnen. Thatcher, die op dat moment in Engeland ook niet al te lekker lag greep onmiddelijk in. Het werd een flinke flap in het gezicht van de Argentijnse nationale trots en de Argentijns-Engelse diplomatieke relaties zijn sinds die tijd op zijn zachtst gezegd koeltjes te noemen. In het hart van Buenos Aires staat een groot monument voor de mannen die vielen in de Guerra de Malvinas en door de hele stad kun je buttons en vlaggetjes kopen met Malvinas Argentinas!. Voor de Argentijnen blijft het, zoals zo veel internationale incidenten waarbij Latijns-Amerkaanse landen betrokken zijn, een schrijnend iets om het álweer af te leggen tegen de westerse wereld. Gelukkig hebben ze het voetbal nog...
En dan natuurlijk dat ándere zeer waar, misschien nog wel meer dan tango, veel buitenlanders Argentinië mee associëren: De Dwaze moeders. Nog steeds maken ze iedere donderdag om half 4 hun rondjes over het Plaza de Mayo, vragend om informatie en gerechtigheid. Het verhaal is iedereen waarschijnlijk min of meer bekend: Onder het bewind van een reeks rechtse dictators in de jaren 70 werden politieke tegenstanders, of iedereen die daar op leek, van hun bed gelicht, gevangen genomen, vermoord of nooit meer teruggevonden. Kinderen van politieke tegenstanders die in gevangenschap werden geboren werden afgenomen en geadopteerd door echtparen die wél van de juiste politieke stroming waren. Toen de vuile oorlog (zo wordt deze periode genoemd) was afgelopen werden de schuldigen, door een opeenvolging van amnestiewetten, niet vervolgd, de reden waarom de nu hoogbejaarde moeders nog steeds vechten voor hun recht op infomatie en het straffen van de verantwoordelijken. Inmiddels worden ze bijgestaan door HIJOS, de organisatie van kínderen van die vuile oorlog. Ook zij zoeken gerechtigheid en willen weten wie hun échte ouders waren en hoe ze zijn gestorven. Na 25 jaar lopen is het moeilijk in te schatten hoe het ervoor staat met de Dwaze Moeders. Vanzelfsprekend is de passie er een beetje uit, de dames lopen bedaard pratend hun rondjes, gadegeslagen door een enkele medestander en een enkele toerist en er is zelfs een klein kraampje waar je buttons, shirts en kaarten kunt kopen. Uit het krantje dat ik van ze koop, blijkt de organisatie zich inmiddels ook niet alleen meer bezig te houden met hun verdwenen familieleden: er wordt gepleid voor de socialistische revolutie en de Verenigde Staten wordt flink aan de schandpaal genageld. En hoewel het objectief dus misschien een beetje is vertroebeld, is er toch iets wat me koude rillingen geeft: Daar lopen moeders met foto's om hun nek van hun kinderen, mensen van destijds míjn leeftijd die op een nacht zijn verdwenen en nooit meer zijn teruggekomen. Niet énkele mensen, maar 30.000 mensen. Deze moeders hebben nooit te horen gekregen wat er is gebeurt met hun kinderen en weten dat degenen die dat hebben verzonnen nog steeds vrij rondlopen. Je wílt het je niet eens voorstellen...
Voor mij nog een ruime week om te genieten van Buenos Aires en Hecho, daarna gaat het reizen weer beginnen!
Labels:
Argentinië,
Latijns-Amerika,
Uruguay,
vrijwilligerswerk
vrijdag, september 20, 2002
Latinoland 17: Comidas (2) y Hecho Bs. As.
Jullie vroegen je het je natuurlijk inmiddels al af: Waar blijven Anne's culinaire recenties? Want na het vertrek uit Peru heb ik weinig meer geschreven over de locale keukens. Over Bolivia was in ieder geval niet veel te melden, het land heeft weinig gerechten om echt trots op te zijn. Of je moet de Salteña, een overheerlijk pasteitje gevuld met kip, ei, olijven, vlees, groenten en wat men verder nog aan kliekjes over heeft, meetellen. Helaas komt de Salteña oorspronkelijk uit Salta, Argentinië, waarmee Bolivias laatste hoop op een culinaire traditie is vervlogen. De enige andere geneugden zijn veel, heel veel gefrituurde kip en Salsichas. Hoewel ik er van overtuigd ben dat je alles moet proberen, kan ik het niemand kwalijk nemen als ze dit gerecht aan zich voorbij laten gaan: niet-bepaald ovenverse frietjes (van het soort dat zich bij optillen vettig om je vinger heen vouwt) in een papieren zakje met daarop gefrituurde, in stukjes gehakte hotdog-worstjes. Een echte Boliviaan eet dit met flink veel mayonaise, ketjup, mosterd en aji (pikante saus). Eet smakelijk!
Na de eerder beschreven Quilo-restaurants, heerlijke chocoladetoetjes en garnalen op het strand in Brazilië, kwam de echte culinaire actie dan toch in Bahia (Salvador). De Bahiaanse keuken is een prachtige mix van Afrikaans en Zuid-Amerikaans koken, met veel spices, koriander, kokosmelk, bonen, okra, garnalen en krab. Wat ik zeker om de andere dag heb gegeten toen ik daar was, is Moqueca, een combinatie van schaal- of schelpdieren, rijst, kokosmelk, pepertjes en de in Bahia beroemde Dende-olie (palmolie). En dan waren er natuurlijk de Acarajés, gefrituurde bolletjes van bonen, gevuld met gedroogde garnalen, die overal op straat door enorme donkere dames met hoofddoeken worden verkocht. Om eens goed uit te vinden welke Bahiaanse gerechten nu echt het bestellen waard waren heb ik één avond gegeten bij de kookschool van Salvador, met een buffet van ruim 40 lokale gerechten en minstens evenzoveel doodzenuwachtige jonge obers in veel te witte jasjes, gadegeslagen door een strenge maitre/docent. Het eten was zeker niet het beste dat ik in Bahia heb gehad, maar de vallende glazen, servetten en het continue aanschuiven van mijn stoel maakte veel goed. Wat ik echter het meest mis aan Brazilië (uhm...afgezien van 30 graden en zon) zijn de sappen. Waar die in Peru en Bolivia al heerlijk en overvloedig aanwezig waren, kun je in een Braziliaanse sappenbar alleen al een middag doorbrengen met het kiézen wat je gaat nemen: Wordt het Cacau (sap van de Cacao-boom, dat helemáál niet naar chocola smaakt), Cajú (van de Cashew-boom, bovenop het paprika-vormige vruchtje zit de cashew-noot geplakt) of één van de minimaal 50 andere smaken? Mijn favoriet is de Maracuya... passievrucht!
En dan nu Argentinië. Grote lappen vlees, dat is wel duidelijk natuurlijk. Parillas (soort Barbecue restaurants) zijn werkelijk op iedere straathoek te vinden, soms met etalages vol dood beest. De steaks in alle vormen zijn geweldig van smaak, maar dat kan ook bijna niet anders als je die koeien hier op hun gemakje rond ziet huppelen. De Italiaanse immigranten die hier in vorige eeuw naartoe kwamen hebben behalve hun idiote accent bergen overheerlijke pasta en ijs achtergelaten. De Heladeria op de hoek hier heeft zeker 80 smaken. Maar goed dat ik zo vaak naar de gym ga! Waar ik maar moeilijk aan kan wennen zijn allereest de etenstijden. Ontbijt: Non-existent (dát kende ik al), Lunch: Rond een uur of 1 (prima), Avondmaaltijd: De Parilla aan de overkant loopt rond een uur of half 10 Žs avonds vol met bejaarden, maar het gemiddelde volk loopt pas zo tegen elven binnen. Hoe deze mensen de volgende ochtend nog aan het werk gaan is een raadsel... Het volgende dat even wennen is, na 3 maanden aji, is het feit dat Argentijnen niet van spicy houden! Zelfs in de supermarkt is het kopen van een Tabasco-achtig sausje onmogelijk, omdat de prijzen van buitenlandse producten door de crisis zó zijn gestegen (12 euro voor een potje Chutney, iemand?), dat niemand ze meer koopt en ze dus automatisch uit de supermarkt verdwijnen. Mijn smaakpapillen begonnen zich wel erg te vervelen, maar gelukkig heb ik van de week een supergoed Thais/Cambodjaans/Vietnamees restaurant gevonden waar ze gerechten hebben waar de ogen weer ouderwets gaan tranen en je neus van gaat lopen. He, lekker!
Sinds afgelopen maandag zit er weer min of meer een soort ritme in mijn dagen...het is even wennen! Om half 8 verlaat ik het huis, gewapend met krant, appel en walkman om de stampvolle forenzentrein naar het centrum te nemen. Een uurtje later kom ik dan aan bij Hecho Bs. As., het straatmagazine van Buenos Aires. Het distributiecenrum is niet meer dan een totaal vervallen pand in een achterafstraatje. Er is een van pallets gefabriekte toonbank, een ruimte waar de verkopers koffie kunnen drinken en een kantoor. Als het regent regent het binnen harder dan buiten.... Voor wie (en dat kan ik me bijna niet voorstellen) in Nederland nog nooit een straatmagazine (Rotterdam) of straatkrant (Den Haag en Delft) van dichtbij heeft gezien: Straatmagazines worden uitgegeven door non-profitorganisaties en worden op straat verkocht door daklozen of mensen die een marginaal bestaan leiden. De kranten zijn gevuld met interviews met (lokaal of nationaal) bekende mensen, uitgaansnieuws en berichten van de straat (bijvoorbeeld een gesprek met een verkoper). In Nederland ben ik altijd al behoorlijk onder de indruk geweest van het project, aangezien het deze mensen op een laagdrempelige en menswaardige manier niet alleen wat extra geld laat verdienen, maar ook een zeker dagritme en verantwoordelijkheid meegeeft. Een kijkje in de keuken, zeker nu hier tijdens de crisis, leek me dan ook geweldig interessant!
Mijn werk is weinig ingewikkeld. Het bestaat uit het uitdelen van de magazines aan de verkopers (die ze aan de cashier hebben betaald), het zetten van een stempel hier en daar en zo nu en dan het maken van verkooppasjes. Aangezien er redelijk wat mensen werken (vrijwilligers (allemaal porteños) en mensen die zélf van de straat komen) lijkt dat niet veel werk. Maar de meeste tijd gaat zitten in praten, aangezien de verkopers niet alleen voor een stapel magazines komen, maar ook voor een kopje thee, maté en/of een sigaretje en een gezellig babbeltje met de andere verkopers of met ons.
Hecho functioneert ook als een doorverwijslokaal voor mensen die een dokter, kinderopvang, een nieuwe bril of juridische hulp nodig hebben. Aangezien veel van de verkopers zelf niet erg assertief zijn als het op hulp zoeken aankomt nemen de Hecho-medewerkers veel eigen initiatief: Wat hebben we je lang niet gezien, is er iets mis? En dan blijkt dat de jonge verkopster geen kinderopvang kan betalen, maar ook moeilijk met haar drie-jarig hummel iedere dag de straat op kan (waardoor ze dus weer geen geld heeft voor kinderopvang, etcetera....). De zware gevallen gaan naar Jorge, de boomlange directeur van Hecho en de grote held van alle verkopers. Een cita (afspraak) met hem dóet wat voor je status!
Mijn eerste dagen waren vooral gevuld met mijn ogen uitkijken en goedmoedig geplaagd en uitgeprobeerd worden door de verkopers. De variatie aan mensen is ongelooflijk. Er zijn meer dan 1200 verkopers, waarvan er ongeveer 500 actief verkopen. Sommige mensen komen maar 1 maal in de week een grote stapel halen, anderen zie je iedere dag en hangen meer bij Hecho rond dan dat ze kranten verkopen. De lijst van mensen die wachten op een verkoopplekje geeft een aardige beschrijving wat er zoal voorbij komt: 24 jaar - 69 jaar - 43 jaar - 17 jaar; in een transithuis - in een hotel - bij een vriend - op straat; 1 kind - gescheiden - 3 kinderen; 3 maanden zonder werk - 3 jaar zonder werk; gezond - artritis- maagzweer - slechtziend....
Voor het eerst realiseer ik me in volle proportie hóe bepalend het weer is voor deze mensen. Als het, zoals gisteren, een groot deel van de dag regent, heeft het weinig zin de straat op te gaan. Er zijn weinig kopers op straat en díe er zijn, gaan in de stromende regen echt niet stoppen om een krantje te kopen. Maar geen verkoop betekent geen geld om 's nachts ergens te slapen. Toen ik gisteren naar bed ging bastte er een groot onweer los, waarvan ik de volgende morgen het resultaat bij Hecho kon zien. Een aantal mensen hebben een vaste slaapplek en één jongen was zo slim geweest om de hele nacht héél langzaam zijn was te doen in de lavandería, maar een aantal waren er niet in geslaagd het noodweer te ontsnappen. Marcello, een nogal ruwe gast vol tatoos (die sinds twee dagen tegen andere verkopers roept dat ze aardig voor me moeten zijn want ik ben zijn amiga) loopt te vloeken dat één van de meisjes van Hecho nieuwe droge sokken voor hem moet zoeken. Raoul, een grote, heel zachtaardige jongen is drijfnat en tot op het bot verkleumd. Hij loopt trillend als een rietje rond terwijl ik thee en een nieuwe pas voor hem maak en de andere meiden op zoek gaan naar oude truien die nog ergens rond moeten slingeren....
Is het dan alleen maar kommer en kwel? Integendeel! Een groot deel van de dag lach ik me dood om of ben ik simpelweg ontroerd door de absurde dingen die er nu weer gebeuren: Een oudere zwerver die bij het grofvuil een paardekop (zoŽn skelet dat sommige mensen aan hun muur hebben hangen) heeft gevonden en hiermee óp zijn hoofd, door het pand struint. Of die man die mij trots een mapje met foto's laat zien van alle beroemdheden aan wie hij de krant heeft verkocht (en die ik natuurlijk niet ken omdat het allemaal Argentijnen zijn). Of die jongen die binnenkomt met een piepklein hondje in zijn krantentas. Opgepikt op straat en de rest van de ochtend doodgeknuffeld door de medewerkers en andere verkopers. Of twee verkopers die elkaar na een lange tijd weer eens zien en elkaar enthousiast zoenend begroeten. Of de verkopers die hun drie woorden engels op me oefenen. Of iemand die na een doorwaakte nacht in het raamkozijn in slaap valt. Of de fotograaf die langskomt en alle branie van de verkopers met één klink van de camera laat verdwijnen....
Ondanks alles geniét ik, ik kan het niet helpen...De komende weken vast nog meer verhalen!
Labels:
Argentinië,
food,
Latijns-Amerika,
vrijwilligerswerk
donderdag, september 12, 2002
Latinoland 16: Crisis, Tango y Mi hogar
Het zal ook jullie niet ontgaan zijn dat Argentinië al sinds enige tijd in een ernstige economische crisis zit. De kranten staan er dagelijks vol mee: de inflatie stijgt, de aankopen dalen en inmiddels 19 miljoen Argentijnen leeft onder de armoedegrens. Dat is véél, maar wat merk je daar nu eigenlijk van? Ikzelf weinig, aangezien ik Argentinië tijdens de crisis niet vanuit eigen ervaring kan vergelijken met Argentinië vóór de crisis, maar slechts met de andere landen die ik in Latijns Amerika heb bezocht. En dan ziet het er allemaal nog niet zo dramatisch uit.... Maar ook voor veel hoge- en middenklasse porteños (bewoners van Buenos Aires) zijn de delen van dit gigantiche land waar kinderen doodgaan van de honger letterlijk en figuurlijk erg ver weg. Wat niét verweg is voor de porteños zijn de "bonnenboekjes" geld die de regering heeft uitgebracht om de geldstr
oom op gang te houden, de taxichauffeurs en ambulantes (straatverkopers) met universitaire opleiding en de massa's mensen die je 's avonds en 's nachts in het centrum door het vuilins ziet spitten. En ook mij doet dat laatste wat. Want hoe vreselijk het ook is om te zeggen, armoede komt ineens een stuk dichterbij als het niet een vuile zwerver in kapotte kleding is bij die vuilnisbak, maar een dame die je buurvrouw zou kunnen zijn....De afgelopen week hadden we tot twee maal toe een protest. Niet alleen tegen de regering en de crisis, maar ook tegen de daarmee gepaard gaande toename van diefstallen en berovingen in de stad. De porteños hebben jarenlang in één van de veiligste miljoenensteden ter wereld geleefd en worden nu voor het eerst geconfronteerd met echte grote-stads-problemen. Overigens nemen die protesten geensinds de vormen aan van de beelden die wij een half jaar geleden op CNN zagen... Op afgesproken tijden, gecommuniceerd via flyers, beginnen de auto's en bussen 10 minuten lang te toeteren, slaan ambulantes op potten en pannen, klappen passanten in hun handen en staat mijn huisgenoot Martin op het balkon met zijn diggereedoo. Golven geluid die je door de hele stad hoort gaan. Ben benieuwd of ze het horen in het Congreso!
Ondanks dit alles zijn de Argentijnen verre van moedeloos. Goed, van de politici moeten ze het niet hebben. Die zijn altijd al corrupt geweest en daarbovenop is de huidige president een min-of-meer bewezen drugdealer. Waarvan moeten ze het dan wel hebben? Volgens een onderzoekje van het ontbijtnieuws van Buenos Aires dat ik gisteren zag heeft nog ongeveer 3% van de Argentijnen vertrouwen in de politiek, 20% in de kerk en een schrikbarende 40% in het leger... Nu zijn deze onderzoekjes waarschijnlijk net zo valide als de steekproeven van het SBSnieuws in Nederland ("10% van de Nederlanders denkt dat homosexualtiteit een ziekte is, dus 90% vindt Pim Fortuyn een toffe peer", zoiets... ), maar het blijft opmerkelijk voor een land waar de militaire dictatuur toch nog heel vers in het geheugen moet liggen!Dus waarom komt het dan toch goed met de Argentijnen volgens de Argentijnen? Ze hebben een land stikvol resources, met een westerse infrastructuur en een bevolking die tot één van de hoogstopgeleide van het continent gerekend kan worden. En daarbij: Ze wonen in het mooiste land ter wereld! (Waar hoorde ik dat eerder?)
De afgelopen week heb ik mijn best gedaan deze enorme stad een beetje onder de knie te krijgen. Gelukkig, door de enorme variatie aan wijken en wijkjes heb je niet continu het idee dat je in een wereldstad bent. Grote winkelstraten rond Retiro; Het chique Recoletta met Gucci-winkels, professionele hondenuitlaters en het beroemde Cemetario waar (onder meer) Evita begraven ligt; La Boca, de meest toeristische wijk van Buenos Aires (ik heb er 2 andere toeristen gezien), met gekleurde metalen huisjes en overal vlaggen en grafitti's van "El Diego" (Maradonna) en San Telmo, een soort klein Parijs, vol kinderkopstraatjes, antiekwinkeltjes en...Tango op straat! De Argentijnen zijn er dol op, hun tango. Massa's mensen die kijken, klappen en "Bravo!" roepen als er een prachtig koppel (zij in strakke jurk op hoge hakken, hij in pantalon, vest en shawl) de verschillende stijlen showt op een plein in San Telmo. Het mooiste is nog hun oprechte plezier te zien. Hoewel tango een serieuze dans is kunnen ze het niet laten af en toe breed naar elkaar te glimlachen. En na een kwartiertje dansen gaat de caballero (mannelijke danser) moeiteloos over in een hartstochtelijk politiek betoog. Geweldig! Bijna nog mooier dan dit jonge koppel is een ouder echtpaar dat een paar straten verderop een voorstelling geeft en dat ik vanaf mijn terrasje gade kan slaan. Iets minder spectaculaire sprongen natuurlijk, maar in dezelfde dresscode. Tussen de cheek-to-cheeks met zijn danspartner door, plukt de heer op leeftijd jongedames uit het publiek om een paar pasjes mee te dansen. Hij doet dit met zo'n charme dat geen van de dames durft te weigeren...En het kon natuurlijk niet uitblijven: Ook ik heb inmiddels mijn weg gevonden naar een tango-school! Twee zeer goede docenten die mij, en mijn twee Amerikaanse huisgenoten, in een hoek van de dansvloer snel bijspijkeren, want de rest van de groep, voornamelijk oudere porteños, is al een stuk verder. Leuk! Ik heb gelijk maar hakken aangeschaft, want tango is geen dans voor gympies, dat lijkt me duidelijk!
Na alweer een aantal jaartjes solita te hebben gewoond, is het alhier weer tijd voor Activiteiten-Met-Het-Huis. Ik woon, zoals eerder gezegd, in een buitenwijk in het huis van Javier en Martin, twee porteños, samen met Forest en Daniel, twee Amerikanen die ook beiden wat langer blijven. En dus eten we samen, gaan veel uit, hebben gezamelijk tango-les en gaan naar de gym (jawel!), huren videos en proberen veel flessen Argentijnse wijn uit (voor net één Euro heb je hier een prima fles!). Hoewel ik dus nog steeds geen vrijwilligerswerk heb (De Straatkrant van Buenos Aires heeft een beetje moeite met telefoon opnemen! Grrrr... ) voel ik me al bijna thuis...
Ik voel me al bijna porteña omdat:
* Ik inmiddels een bus kan pakken, bíjna zonder mijn duimdikke busboekje te raadplegen;
* Ik muntjes spaar voor de bus, omdat je anders geheid ruzie krijgt met de buschauffeur;
* Ik op de weg terug van de supermarkt even langs de Heladeria ga voor een kwart-kilo ijs "para llevar" (om mee te nemen);
* Ik er bijna aan gewend ben dat ik niet hoef af te wassen of mijn bed op te maken, daar hebben "we" Edith, de huishoudster, voor (dat ik überhaupt mijn bordje naar de keuken breng is al even schrikken voor haar);
* Ik mensen die ik voor het eerst ontmoet onmiddelijk begin te zoenen;
* Ik, zodra ik heb verteld uit Holland te komen, porteños er onmiddelijk van weet te overtuigen dat wij allemaal heel veel van Maxima houden;
* Ik gesprekken heb met de kassajuffrouw in mijn supermarkt over Europese vorstenhuizen en Argentijnse politiek (ze is een beetje verliefd op Philippe van Spanje);
* Ik al bijna gewend ben aan het feit dat voor 21 uur je avondmaaltijd nuttigen belachelijk is en na 22 uur acceptabel;
Maar over het eten dan maar weer een volgende keer!Voor nu kan ik jullie nog even mededelen dat mijn thuiskomst waarschijnlijk nog een maandje wordt opgeschoven....
donderdag, september 05, 2002
Latinoland 15: A Battería, Bonfim e Cataratas do Iguaçu
Een veel te vol notitieblokje met allemaal dingen over Brazilië die ik óók nog aan jullie kwijt wil... Ondanks dat ik inmiddels sinds enkele dagen in Argenitinië ben dus nog een hoofdstukje Brasileino!
Er zijn veel verschillende beroepen in de wereld: mooie en belangrijke, nederige en spannende. Brazilië heeft aan de lijst beroepen die ik ken weer een nieuwe toegevoegd: de bordenoppasser!
Op iedere straathoek kom je borden tegen die je internet of een verzekering aanbieden of die je attent maken op de opening van een nieuwe winkel. En in Brazilië hoef je die niet vast te spijkeren of te plakken, hier huur je iemand die met een pot koffie op een klapstoeltje naast je bord gaat zitten.
Nu aankomende oktober Brazilië naar de stembus gaat kom je er helemaal veel tegen. Of ze de zaak veel goed doen is de vraag, want ik heb zelden mensen zo ongeïnspireerd en verveeld zien kijken als de oppassers van verkiezingsborden.
Van alle kanten grijnzen de kandidaten je aan. Een beetje verwarrend is het wel, met alle verschillende delen van het land die ik heb bezocht die ieder hun eigen vertegenwoordigers hebben komen alleen de gezichten van enkele landelijke kandidaten me vaag bekend voor. Omdat Brazilië via machines stemt (net als wij in Nederland) heeft iedere kandidaat een nummer dat met grote letters onder de hoofden staat. Dit systeem lijkt me niet geheel eerlijk, mij lijkt het duidelijk dat iemand met nummer 111 het zéker winnen zal van de kandidaat met 7168 (om van de kandidaat met 666 maar niet te spreken!).
Afgezien van het systeem van stemmen lijkt Lula, van Arbeiderspartij PT de hoogste ogen te gaan gooien. De man doet voor de vierde (!) keer een gooi naar het presidentsschap...de aanhouder wint, moet hij gedacht hebben! Het lijkt een trend te worden: Ook Lula laat zich (net als Evo in Bolivia) niet al te zachtzinnig uit over de VS. Hij heeft bovendien aangekondigd dat de Braziliaanse schuld aan het IMF wat hem betreft voorlopig niet afgelost hoeft te worden. Het interessante hieraan (ik zou bíjna zeggen: "Het léuke hieraan...") is dat Brazilië net iets meer van de toren kan blazen vergeleken met andere landen hier. Als de VS dreigt zijn hulp aan Bolivia op te schorten (bij het kiezen van kandidaat X) heeft Bolivia een ernstig probleem. Aangezien de schuld van Brazilië echter énorm is en een groot deel van die schuld, direct of indirect, in de VS staat, heeft deze keer de VS een enorm probleem als dit potje blufpoker waarheid wordt. Het is op zijn minst curieus dat de VS nu eens in deze positie wordt gedwongen (wat ze er natuurlijk niet van weerhoudt Lula op alle mogelijke manieren in discrediet te brengen....).
Ik blijf me verbazen over de buitengewone trots van de Brazilianen op hun land. De overmaat aan vlaggen die ik eerder beschreef zijn daar slechts één uiting van. Brazilianen vinden zonder uitzondering dat ze in het meest geweldige land ter wereld wonen ("Nu alleen de politiek nog!"), terwijl de meeste Bolivianen en Peruanen masse willen emigreren. En zo'n houding dóet natuurlijk iets met een land. Als mensen vinden dat hun land niets heeft om trots op te zijn (wellicht logisch als je dat eerst een paar honderd jaar wordt ingewreven door kolonisators en dat vervolgens nog een eeuw of twee wordt "bewezen" door je eigen politici!) is dat geen goede uitgangspositie om een land op te bouwen. En gelooft u niet in wazige begrippen als "trots op je land", bekijk dan eens het volgende: Op iedere plaats waar ik ben geweest in Brazilië is minimaal 80% van de aanwezige toeristen Braziliaans. Om het even in welke winkel je kijkt, welke producten je op tafel in een restaurant omdraait: "Made in Brasil"....eens kijken wat dát voor de economie van een land doet! En die cirkel valt natuurlijk gewoon rond te maken. Want al die mensen die hun prachtige land zien en omringd worden door fijne producten van eigen makelij worden alleen maar trotser op dat land.... Nu dat ándere cirkeltje in Bolivia en Peru (en Nicaragua...) nog even doorbreken!
Het verblijf in Salvador stond natúúrlijk in het teken van dansen en muziek. In Pelourinho waar ik verbleef, is dinsdagavond dé grote avond voor de Batterías, percussiebands die door de smalle, be-kinderkopte straatjes met gekleurde huisjes lopen. Na een wervelend samba-optreden van een andere band op één van Salvadors pleintjes liep ik in een straatje klem op een battería. Gewoon meelopen dan maar...of meedánsen natuurlijk! Ik sloot me, samen met twee meisjes uit Sao Paulo, aan bij een groepje jongens die vlak achter de battería liepen te dansen. We verstonden elkaar voor geen meter, maar een lól! Het was net het zomercarnaval, maar dan zonder de pakjes...Hoewel, helemaal vooraan stond één prachtig uitgedoste dame in veren...die van dichtbij ineens een heer bleek. Het feest was helemaal compleet toen er een gigantische regenbui losbarstte, die de battería verjaagde naar de portieken maar de dansers alleen maar vrolijker maakte: lekker fris!! "Isso!"
Via Claudio (mijn Braziliaanse dansleraar in Amsterdam) was ik in contact gekomen met Anibal, een vanwege het kalmere leven ("Loop eens rustig je bent in Bahia!") naar Salvador verhuisde Carioca. Hij nam me mee op lange wandeltochten langs de Barra, het strand van Salvador, lange gesprekken over politiek op terrasjes en een gezellige avond uit met vrienden in een superfancy discotheek. Nee, Brazilianen dansen niet alléén samba, maar ook op jaren 80 disco (en omdatwe toch wát moesten, hebben Anibal en ik daar wel gewoon Zouk op gedanst...) en mijn gód wat voelde ik me underdressed in mijn broek en gympies naast al die meiden in black-dresses. Tot ze aan het eind van de avond ineens komen toegeven dat jouw gympies er, naast hun stilettohakjes, toch best wel comfortabel uitzien.
Naast het meer "exotische" Candomblé van vorige week heb ik ook nog een "gewone" Katholieke kerk bezocht in Salvador, de Igreja do Senhor do Bonfim. Volgens vele volgelingen een kerk met een altaar dat wonderen verricht. Een vleugel van de kerk is daarom behangen met fotoŽs van mannen, vrouwen en kinderen (ik spotte zelfs een foto van een koe) die door O Senhor genezen zijn of daar nog op hopen. Het zou Zuid-Amerika niet zijn als er niet ook een paar foto's tussenhingen van bloederig afgerukte vingers en mensen die trots hun litteken van-kin-tot-kruis showen. Je kunt in de kerk plastic poppetjes, voeten, handen of benen kopen die je gebed kracht kunnen bijzetten op de gewenste plaats. En mocht je even vergeten zijn dat je in Brazilië bent: Een bewonderaar heeft een plastic been achtergelaten bij een brief en een foto van Ronaldo. Of O Senhor er toch vooral maar even voor wil zorgen dat Ronaldo weer met gezonde benen kan deelnemen aan de aankomende Copa del Mundo.
Dan heb ik tenslotte de afgelopen dagen doorgebracht op de Braziliaans-Argentijns-Paraguayse grens (Ja, de vlucht is voorspoedig verlopen!) om daar Foz do Iguaçu te bezoeken. Eén van de grootste watervallen ter wereld en volgens de kenners (wat moet ik me voostellen bij een "kenner" van watervallen?!) zeker ook één van de mooiste.
Met twee Engelse meisjes logeerde ik in een hotel met twee wel heel schattige eigenaressen: een oudere, zeer religieuze dame en haar dochter. Ze kwamen om de haverklap kruidenthee brengen, op de hielen gezeten door twee erg lelijke hondjes.
Het bezichtigen van de watervallen (Argentijnse en Braziliaanse zijde) duurde zo'n 1,5 dag. En gaat dat dan niet vervelen? Nee, dat gaat niet vervelen!
Het omliggende park heeft hier en daar helaas een wat hoog Disney-gehalte: Je wordt met busjes (uitleg in 3 talen) van het bezoekerscentrum naar de foodcourt gebracht. Maar als je dan, na een half uurtje lopen over prachtig aangelegde wandelpaden, met het steeds sterker wordende geluid van het water, de eerste blik werpt op de eerste watervallen is dat dan toch onvergetelijk. Het probleem met de watervallen is dat iedere bocht op het pad weer een andere hoek of een andere waterval voor je ogen ontvouwt, waardoor je fotorolletjes er nogal hard doorheengaan (voor iets dat waarschijnlijk tóch niet in foto's te vangen is!). Het hoogtepunt van de dag (al konden we ons na al dat moois nauwelijks meer voorstellen dat er nog zoiets kwam als e
en hoogtepunt) hadden we bewaard tot het laatst: El Garganta del Diablo (De keel van de duivel), een punt waar al het water van de wereld zich in één keer in een pijlloze diepte lijkt te storten en vervolgens door zijn eigen kracht, gelijk weer meters omhoog gestuwd wordt. Dit alles begeleid door donderend geraas, vlinders, vogels en meerdere regenbogen. Niet in woorden te vangen....Toen ik gisteren in de taxi naar de grens stapte kwam Evalina (de hoteleigenaresse) me nog luid roepend achterna: "Zenk you for staying, Holland people are so nice, Hope you are ghappy, God bless you!"
Inmiddels zit ik weer in een heel ánder hotel. Vanmorgen ben ik aangekomen in Buenos Aires. Het hotel, of "guesthouse", zoals Javier en Martin, de twee piepjonge porteño eigenaren het noemen, is gevestigd in een buitenwijk van de stad. Ik was van plan een paar dagen te blijven en te kijken hoe het beviel, maar na de eerste kennismaking en het zien van het huis (want hotel kun je het inderdaad niet noemen) was de keuze snel gemaakt: Hier wordt het de komende maand goed toeven!
Volgende week meer over Buenos Aires en The Garden House!
En dan had ik hier nog helemaal niet over verhaald:Eén van mijn dagen in Salvador heb ik een dagtripje gemaakt naar Praia do Forte, een piepklein dorpje zo´n anderhalf uur tennoorden van Salvador. Allereerst een prachtig strand, zoeen met wit zand palmbomen en kleine vissersbootjes...hmmm...Maar waar het mij allemaal om ging was een bezoek aan het TAMAR-project. TAMAR staat voor TArtugas MARinas, de Portugese naam voor zeeschildpadden. TAMAR bestrijkt de hele kust van Brazilië en poogt (zeer succesvol
) de vijf verschillende soorten zeeschildpadden die Brazilië rijk is te beschermen. Het succes van het projectzit hem erin dat de mensen uit de gemeenschappen bij de nestgebieden worden betrokken bij de bescherming. De vissers die eens de nesten leeghaalden om de eieren te kunnen verkopen, worden nu betaald om diezelfde nesten te beschermen. In totaal kunnen door het project zo´n 400 families in hun levensonderhoud voorzien, doordat er bij een aantal stations (in Praia do Forte bijvoorbeeld) een bezoekerscentrum is met een restaurantje en souvenirtjes(die allemaal gemaakt en verkocht moeten worden). Het project haalde Times, Newsweek en heeft (terecht) verschillende grote prijzen voor natuurbescherming gekregen. De schildpadden blijven me facineren: hun wijze koppen, hun grootte en de manier waarop ze eerder lijken te vliegen dan tezwemmen. En dan de mini-schildpadden die als een schoolklas vol kinderen in hun zwembadje rondspetteren... Meer over TAMAR: http://www.tamar.org.br/ingles/default.htm
Labels:
Brazilië,
dansen,
Latijns-Amerika,
verkiezingen
dinsdag, augustus 27, 2002
Latinoland 14: Cristo, Chamar e Orgulho do África
Na bijna 2 weken heb ik me eindelijk kunnen losrukken van Rio en ben ik na een record-bustijd van 26 uur beland in Salvador, in het Noorden van Brazilië.
De laatste dagen in Rio waren vooral gevuld met strand, mensen kijken en door de stad zwalken. En oh ja, ook nog een bezoekje aan Rio's bekendste postkaart: de Cristo die met wijdgespreide armen uitkijkt over zijn stad. Het viel een beetje tegen moet ik zeggen, want hoewel Cristo alles kan zien vanaf zijn uitkijkpunt zo'n 700 meter boven de stad, is het beeld helemaal niet zo enorm dat jij het vanaf de stad kunt zien. Een beetje zoals de echte Cristo dus. Hoewel het uitzicht buitengewoon spectaculair is, deed het me al met al een beetje denken aan Manneke Pis in Brussel, waar je erg hard naar moet zoeken omdat het echte beeldje kleiner is dan de meeste souvenirs die ze van hem verkopen. Is dáár nou al die ophef over? In zo'n toeristisch deel van de stad blijkt Rio, naast hoofdstad van voetbal en carnaval, ook hoofdstad van tacy souvenirs: Veel Cristos van kristal, gevoetverfde Pão Açucars en lederen flessehouders met Copacabana-opdruk. Wow.
De Lonely Planet had al aangegeven dat het bellen in Brazilië "een uitdaging" kon zijn...Daar ben ik gelukkig helemaal niet vies van, dus heb ik deze de week geprobeerd een vliegticket te reserveren van Salvador naar Foz do Iguaçu.
1. De telefoon-cabines in Brazilië hebben in het algemeen de vorm van een grote, blauwe oorschelp en staan bijna óp de weg tussen de razende bussen. Das niet erg, want de meeste Brazilianen spreken vrij hard. Ik vind een nogal scheve telefoon op een relatief rustige Praça.2. Ik neem de hoorn op en draai het (gratis) nummer waarna veel geruis en vreemdsoortige klikjes en piepjes. Na drie keer proberen kan ik tussen het kabaal iemand van VASP ontwaren. Nu ben ik niet meer van plan los te laten, ook al wordt ik een beetje misselijk van een half-opgegeten broodje in de oorschelp (ik moet mijn hoofd flink naar binnen duwen om wat te kunnen horen). 3. Ik vraag naar iemand die "Fala Inglés/Castillano" (Engels/Spaans spreekt). Het meisje gaat op zoek. Na drie minuten niets wordt er opgehangen. De volgende poging loopt op hetzelfde uit. 4. Ik zoek een andere telefoon en vind er drie bijeen, waarvan één op kniehoogte (voor kinderen?). Ik kies er één met minder piepgeluiden, maar méér ruis. 5. Na mijn verzoek om een Engels/Spaanssprekende krijg ik nu een jongen die jofel roept: "ThatŽs me, baby!", wat mij zelfs voor een Braziliáánse luchtvaartmaatschappij redelijk vrijpoostig lijkt. Hij schakelt me door naar "reservaciones". 6. Door de "verbeterde lijn" kan ik nu een wachtmuziekje horen: Een Portugese automatische stem probeert in te praten tegen de storm van een nogal luid samba-bandje. 7. Na enkele minuten krijg ik iemand van reservaciones die zodanig in paniek raakt van mijn verzoek in het Spaans dat ze de telefoon ophangt. Tot drie keer toe. 8. In pure wanhoop (ik weet dat VASP de goedkoopste tickets heeft) bel ik de gratis nummers van alle drie de andere Braziliaanse luchtvaartmaatschappijen. Ik krijg één fax, één kiestoon en één keer een Portugees bandje met een ander nummer dat ik tot vier keer toe verkeerd versta (Varig, toch een internationale (!) luchtvaartmaatschappij). 9. Ik bel mijn "That's me baby"-vriend bij VASP nog maar een keer en leg uit dat het allemaal niet zo erg wil lukken. Hij geeft me een ander gratis nummer. 10. Het andere nummer werkt niet.11. Ik krijg wéér een ander nummer, helaas niet gratis, integendeel, mijn telefoonkaart loopt sneller terug dan een tickerband in een natuurkunde-experiment (bestáán die nog??). 12. Na 1x bellen (in gesprek) besluit de telefoon dat ik nu wel genoeg heb gebeld en laat het er verder bij zitten. Volgende telefoon.13. Oh joy! Het meisje aan de ander kant is van VASP reserveringen en spreekt vrij vloeiend Spaans. 14. Mijn achternaam is geen makkelijke naam voor een Braziliaan, wat blijkt als ik moet gaan spellen boven het geluid uit van een kind dat het op een brullen heeft gezet bij het kniehoge telefoontje (probeerde misschien ook een reservering bij VASP te maken...)15. Alles gaat lekker, tot ik halverwege mijn reservering merk dat mijn telefoonkaart tot 3 units is teruggelopen. Natuurlijk kan ik nog net de naam van mijn behulpzame vriendin vragen, maar niet mijn o-zo-essentiële reserveringsnummer. "Ik bel terug!", roep ik wanhopig tegen de kiestoon.16. Ik koop een nieuwe telefoonkaart (bij de drogist natuurlijk!)17. Ik bel opnieuw en vraag naar Helena. "Wie is dat?" kan ik uit het Portugees opmaken "Werkt die hier?" Tegen de tijd dat ik heb uitgelegd (in mijn állerbeste Portugees) dat ik al een reservering heb, maar géén reserveringsnummer, heb ik nog een kwart van mijn kaart over. 18. Het uiterst vriendelijke, maar niet erg snelle meisje biedt aan mij terug te bellen. Alleen jammer dat het nummer van mijn telefoon vrijwel onleesbaar is, zodat ik tenslotte maar een paar nummers op de gok roep. Zonder veel hoop wacht ik een paar minuten in het hokje. Nee dus. 19. Opgelost. De senhora van mijn Hostel spreekt niet alleen Portugees, ze kan er ook in schelden...en dat helpt! Ik vlieg zaterdagochtend en hoop van harte dat VASPpiloten beter in hun werk zijn dan VASPtelefonistes (afgezien van Mi Amiga Helena dan).20. Staartje. Als ik mijn ticket kom betalen op het VASP-kantoor blijkt dat ze (hoe kan het ook anders) nét die ochtend te tarieven hebben verhoogd. Of ik eventjes 70 reals extra wil betalen. Dat dacht ik toch niet! Maar er blijken ook voordelen aan het chaotiche systeem. Als ik namelijk naar een reisbureau ga en daar cash betaal, wordt mijn betaling vrolijk ge-antidateerd en betaal ik mijn oude prijs. Zo!
Salvador ligt in de Braziliaanse staat Bahia, de staat die bekend staat als de meest "Afrikaanse" van alle staten. Het grootste deel van de slaven kwam hier terecht en is hier gebleven. Dat betekent grote negers (pardon: Afro-Brazilianen) die mij met twee opgestoken duimen vanaf hn plastic-stoel-in-deuropening "Tudo bem?" (Alles goed?) toeroepen. Het betekent grote donkere vrouwen met gigantische gekleurde hoepelrokken en doeken om het hoofd en overal, óveral muziek. Als ik op zaterdagochtend om 10 uur aankom is de batteria (drumband) al aan het spelen en als ik om één uur terugkom na een avond uit (straks meer) oppert een oostenrijks stel om met zijn drieën wat te gaan drinken. Wegens muziek-kakefonie is er voor 3 uur 's nachts in Pelhorino geen slapen mogelijk. Salvador heet met recht "Cidade de Alegria"(Stad van de vrolijkheid)!
Salvador is trots op haar Afrikaanse roots. De stad heeft een prachtig Afrikaans museum waar, helaas alleen in het Portugees, wordt uitgelegd hoe de slaven in Bahia terecht kwamen. Hoewel in andere delen van Latijns-Amerika de slavenpopulatie zoveel mogelijk werd gemixt (om samenzweringen tussen de slaven te voorkomen) kwamen in Bahia vooral slaven uit Oost-Afrika (Benin, Nigeria, Angola) terecht. Hetgeen een unieke kans bood de eigen taal, voedsel, religie en muziek te behouden. Natuurlijk werd dit door de slavenhandelaars onderdrukt en heeft ook de tijd voor veel mixcultuur gezorgd. Maar nergens anders is Afrika zo voelbaar als juist hier.
Eén van de meest bijzondere uitingen van die Afrikaanse cultuur in Brazilië is de Candomblé. Camdomblé is een religie gebaseerd op de oude Afrikaanse geloven in één Oppergod en diverse Lagere Goden (orixás) met elk hun eigen karakteristieken en taken. Net als in de Europese mythen trouwden deze goden onderling en kregen ze kinderen, die ook weer goden werden. Toen de slaven het beleiden van hun geloof werd verboden werd de link met het katholieke geloof snel gelegd. De Goden werden verbonden met de Katholieke heiligen, die immers óók elk hun eigen taak en verhaal hebben. En zo konden de slaven ongehinderd doorgaan met het vereren van hun orixás. Heden ten dage heeft Salvador diverse terreinos, waar de gelovingen op bepaalde dagen samenkomen voor het vereren van één specifieke orixá. En zo'n "dienst" (érg Europees woord!) kun je bijwonen. De avond waarop ik ging stond in het teken van Omolú, de god van pokken en ziekten (gezellig!). Aangezien hij (schijnbaar) onder de pok-putten zit is zijn lichaam afgedekt met een groot masker van touw, wat hem een beetje op een grote zwabber doet lijken. Zijn Christelijke equivalent is St. Lazarus, die bij mijn weten ook niet zo'n goede gezondheid had. De terreino was ook een prachtige mix van vrome (witte!) heiligenbeelden en schilderingen van de Afrikaanse goden in vol ornaat. De terreino was stampvol mensen, zelfs mensen die door de ramen naar binnen leunden. Op een groet troon-achtige stoel zat de Mãe (moeder) van de terreino, een oudere dame in een gigantische groene glittertjesjurk (die zoals later bleek, er goed de wind onder had!) gesteund door twee dames van middelbare leeftijd (de lelijke stiefdochters). De Mãe begon met het voorzingen van een bepaald lied, wat werd "beantwoord" door de Mediums, de mannen en vrouwen in het midden van de terreino en de percussieband die in een hoek zat. De mediums dansten, heel Afrikaans, met veel sierlijke heup- en hand-bewegingen. Het eerste deel van de avond stond vooral in het teken van deze zang en dans. Daarna was het tijd om te eten. Gigantische kookpotten werden binnengebracht. Ik had die avond al redelijk uitgebreid getafeld, maar er was geen weigeren aan: het bananenblad in mijn handen werd overvloedig gevuld met rijst, kip, bonen en popcorn. Eet smakelijk. Daarna ging de zang en dans verder, maar het ritme werd duidelijk opgevoerd en de dansers dansten zich het leplazerus (wat heel toepasselijk was natuurlijk). Het duurde niet lang of één van de dansers, een dame van middelbare leeftijd, stortte zich luid brullend ter aarde. Ze werd ondersteund door de lelijke stiefzusters. Al snel volgden de andere mediums, ieder in hun eigen luidruchtige, of juist volslagen in zichzelfgekeerde trance. Er volgde een pauze, waarin de mediums tot zichzelf konden komen en zich omkleedden voor het hoogtepunt van de dienst. Hierin zijn de mediums verkleed als orixás, in prachtige kostuums mét attributen. Sommigen waren duidelijk nog niet helemaal over hun trance heen en begonnen al snel weer te gillen of soïcijns rond te zwalken. De drums hadden nu zo'n razend tempo bereikt dat zelfs enkele mensen van het publiek zich in de kring stortten. Hoe dit tafereel nog gerijmd kon worden met de Katholieke religie is mij een raadsel, maar de opzwepende muziek, de dansen en kostuums waren een hallucinerende ervaring!
Nog een aantal dagen gekleurde huisjes, stranden, opgestoken duimen en lekkere muziek en dan dient mijn vlucht naar de grens met Argentinië zich aan.
maandag, augustus 19, 2002
Latinoland 13: Copacabana, Cariocas e Favelas
Een week Rio en zoveel te schrijven dat ik niet weet waar te beginnen...
Op de Copacabana dan maar, die wereldberoemde strook zand gelegen aan een van 's werelds meest dichtbevolkte gebieden. Gedurende de week een rustig strand (ware het niet voor de hoeveelheid verkeer die ernaast raast), in de weekends afgeladen vol met Cariocas (bewoners van Rio) bezig met hun favoriete tijdverdrijf: zonnen, volleybal en het bekijken van het andere geslacht. Hier kan álles. Ben je 89, 150 kilo, wit en behaard en wil je in je blote bast, met je mobieltje aan je zwembroekje langs de boulevard joggen...Dan kán dat! Ben je 45, heb je hele grote borsten en wil je in je bikini op hoge hakken tijdens het spitsuur tussen de autos en bussen op de weg dansen...Dan kan dat! Zonnebrillen, walkmans, poedels, mooigevormde volleyballers in kleine broekjes, meisjes met uitpuilende bikinis en nóg kleinere broekjes, cocosnoten met rietjes, garnalen op een stokje, braziliaanse vlaggen, skates, vierwielige fietsjes, te bruine bejaarden, zandkastelen, kinderen in voetbalshirts...Het is kitch, zeker, maar prachtig om naar te kijken.
Na een week luieren aan het zwembad in Bonito was het de afgelopen week weer tijd om de toersit uit te hangen. En ik heb mij nijver van mijn taak gekweten met bezoeken aan het historische centrum, Ipanema, het Museo de Arte Contemporaneo (een Niemeyer-creatie), het Maracanã-voetbalstadion, het Sambodrome (waar het carnaval wordt gehouden) en het uitzicht vanaf het Pão de Açucar (Suikerbrood).Maar de grootste attractie van Rio zijn zonder meer de Cariocas. Zij zorgen ervoor dat een stad van 8 miljoen mensen geen koude, kille bedoeling wordt. Waar je ook bent, op welk uur van de dag (of nacht), er is altijd tijd voor een praatje, een grapje of een opgestoken duim. De weg vragen kan hier een langdurige bedoeling worden, aangezien de meeste Cariocas het als hun plícht zien je verder te helpen. Als zíj het dus niet weten wordt de dichtsbijzijnde voorbijganger aangeklampt, die vervolgens óók weer iemand vraagt, zodat je binnen no time (of eigenlijk binnen best veel time) het middelpunt vormt van een groep Cariocas die je allemaal moet vertellen waar je vandaankomt en dat je Rio zo leuk vindt en die vervolgens met elkaar in discussie gaan over de kortste weg naar jouw bestemming.
Cariocas houden van het strand, van bier, dansen, voetbal en Brazilië.Het bezoek aan Maracanã maakte de gekte voor het voetbal (voor zover nog niet bekend) alleen nog maar meer duidelijk. Voor het geval je twijfelde: Brazilië is in werkelijkheid geen Republiek, maar een koninkrijk. Haar koning heet Pelé. Foto's van zijn mooiste doelpunten, plakkaten ter ere van zijn 1000ste doelpunt, zijn gezicht op iedere denkbare reclame en de afdruk van zijn voeten bij de ingang van het voetbalmuseum in het Maracanã, broederlijk naast die van Romario (die overigens verbazingwekkend kleine voeten heeft!). Als de hoeveelheid vlaggen een meetlat is voor de trots van een bevolking op zijn land (en dat zou best eens kunnen) wint Brazilië zonder meer. Niet alleen vind je de Braziliaanse vlag op ieder openbaar gebouw, hangend in barretjes, geschilderd op muren en winkelruiten, maar iedere Braziliaan lijkt op zijn minst 2 shirts, een broek (of rok), een zwembroek (of bikini), een handdoek en een stel teenslippers te bezitten met daarop de nationale trots. Om er helemaal bij te horen heb ik mijn garderobe inmiddels uitgebreid met een topje gemaakt van een grote Braziliaanse vlag. Wieweet zien ze me nu niet meer aan voor "Argentina! Argentina!"
Een iets minder voordehandliggend toeristenbezoek was mijn bezoek aan Communidad Rocinha, de grootste favela ("sloppenwijk") van Rio. Niet een plek die je als argeloze blonde gringa zelf moet binnenwandelen, en dus ging ik met Alfonso, een gids. Wat cijfers: Rio heeft zoŽn 800 favelas, in totaal woont 20% van de bevolking in zoŽn wijk. Rocinha heeft ongeveer 60.000 inwoners. In geen enkele stad is het verschil tussen arm en rijk zo groot als in Rio. Dat wordt desde meer duidelijk als je de ligging van de favelas bekijkt: Rocinha ligt bijvoorbeeld slechts een kleine honderd meter van de huizen van plastisch chirurgen, doktoren en de Amerikaanse school. De meeste mensen uit deze rijke delen zullen nooit in hun leven een voet zetten in de favala: "te gevaarlijk". De crime-rate in de favelas ligt hoger dan in andere delen van de stad, maar de meeste problemen hebben te maken met drugs: drugsdealers in gevecht met de politie of met elkaar. En zolang je je daar verre van houdt is de kans om in de problemen te raken klein. Alfonso grapte zelfs dat de kans om in Rocinha beroofd te worden waarschijnlijk kleiner is dan op de boulevard van Copacabana. De drugsdealers, de mensen die in feite de dienst uitmaken in de favela, hebben geen enkele behoefte aan de politie die afkomt op dat soort kleine criminaliteit. En dus gaan de straatschoffies maar toeristen beroven in de stad. De ligging van de favela is hier en daar wat ironisch. Zo wonen de mensen van Rocinha gratis naast mensen die de hoogste huren van het land betalen, hebben ze het beste uitzicht van de hele stad en, wegens gebrek aan riolering stroomt hun afval via een open kanaal richting...de rijke stranden van Ipanema! Uitzicht over Rocinha is bijzonder: Honderden op elkaar gebouwde huizen. Op de daken mensen die zitten te praten, hun was doen en veel kinderen met vliegers. De meeste huizen zijn van steen, de bewoners maken gretig gebruik van het feit dat de Braziliaanse wet zegt dat mensen na 5 jaar in hun zelfgebouwde stenen huis mogen blijven wonen. En omdat de regering gratis verf verstrekt is een groot deel van de huizen in vrolijke kleuren geschilderd. De visieuze cirkel van armoede blijkt moeilijk te breken. Pelé en Romario zijn prachtige vorbeelden van mensen die erin zijngeslaagd aan de favela te ontsnappen (en ik heb heel wat kleine jongetjes op teenslippers gezien die zó in hun voetstappen kunnen volgen!), maar de meeste mensen die in de favela worden geboren zullen er hun hele leven blijven. De werkeloosheid in Rocinha is zo'n 18%, ongeveer 3 keer zo hoog als in de rest van de stad. En zoals zo vaak, heeft dat vooral te maken met gebrek aan (goed) onderwijs. Hoewel de overeid de laatste jaren, via sociale projecten, haar invloed in de favelas wat probeert te vergroten was het meest indrukwekkende punt voor mij de hoge organisatiegraad die de mensen in de gemeenschap zélf hebben gecreeerd. Waar geen openbaar vervoer is (omdat de straatjes te smal zijn) ontstaan mototaxis (motoren die je voor 1 real naar de stad brengen); waar mensen geen adres hebben en dus geen post kunnen ontvangen, ontstaan centrale verzamelpunten voor de post in privé-huizen. De hoeveelheid sociale en culturele projecten (vaak gefinancieerd door drugdealers!) is enorm en de mensen zijn tróts op hun communidad. De vraag rijst of je als NGO gebruik kunt maken van deze organisatiegraad, of dat het systeem juist gebaseerd is op het gebrek aan inmenging van buitenaf?
Voor het geval het je nog niet opgevallen was: Rio heeft mijn hart veroverd! Met alle problemen van een grote stad, de drukte, maniakale buschauffeurs, het vuil en de bedelaars. Maar ook met prachtige kleine buurtcafeetjes, weer eens heerlijke Europees aandoende winkels (Boeken! Kleding!), prachtige stranden en alles overgoten met dat heerlijke chaotische Latijns-Amerikaanse sausje....
maandag, augustus 12, 2002
Latinoland 12: Sol, Peixe e Gauchos
Na alle zware berichten over demonstraties, straatkinderen en mijnwerkers kan ik jullie berichten dat ik me (gelukkig?) ook nog druk kon maken over oppervlakkige zaken als het weer en mijn huidskleur (voor de geïnteresseerden: Mijn hoofd en armen zijn chocomel-kleurig, de rest van mijn lichaam moet nog een inhaalslag maken). Mijn eerste week in Brazilië heb ik namelijk doorgebracht met een enorme hoeveelheid nietsdoen aan het zwembad van mijn hostel. Nou ja, nietsdoen: ik heb bergen gelezen, in de zon gezeten, ben af en toe even op de fiets naar het dorpje geweest, heb caipirinhas (Braziliaans drankje met limoen en suiker) gemaakt, heb kaartspelletjes gespeeld en gekookt, want er was ook een keuken. Het hostel was bijna een Nederlands enclave, zodat ik mij middels allemaal Nederlandse kwaliteitsbladen weer op de hoogte kon stellen van het wel en wee van onze Nederlandse sterren.
En tussendoor heb ik dan ook nog wel écht wat ondernomen. Het plaatsje waar ik zat heet Bonito en zoals de Brazilianen zelf al aangeven: Bonito é bonito ("Bonito is mooi!"). De bustocht er heen was op zich al een belevenis. Grote borden waarschuwden voor overstekende herten, krokodillen en slangen. Mijn uit-het-raam-kijk-score betrof een heleboel vreemdsoortige vogels, een platgereden hyena en een miereneter die volslagen in de stress raakte toen de hele bus stopte en iedereen met zijn neus tegen het raam ging zitten. Verder weilanden vol koeien en palmbomen tegen zo'n kitcherige roze airbrush-lucht. Bonito zelf is uitvalsbasis voor een heleboel verschillende natuur-activiteiten. Zo ben ik een dagje wezen raften (stiekum was het meer een beetje dobberen en hier en daar met een grote plons van een waterval af) en heb ik een enorme grot bekeken vol stalagtieten en -mieten en een felblauw meer. Het hoogtepunt was echter wel een zwemtocht door de Rio Sucuri (ik hoorde pas later dat "Sucuri" Portugees is voor "anaconda"). Door een mooi uitgevallen foutje van de natuur heeft deze rivier een grote hoeveelheid calcium in haar wateren, dat alle vuil absorbeert en op de bodem doet neerslaan. Het gevolg is dat de rivier zo helder is als een pas gereinigd aquarium en dat je onderwater métersver kunt kijken. De rivier zit bovendien vol met enorme vissen en prachtige waterplanten. En nee Martijn, je mag er niet vissen! Maar zwemmen, of eigenlijk, dobberen, mag wel. Je wordt namelijk in een wetsuit en zwemvest gehesen waarna je je, gewapend met duikbril en snorkel, met de stoom mee laat drijven. Je wordt vriendelijk verzocht niet te hard te bewegen, om toch vooral de vissen maar niet te laten schrikken. Helaas had ik een klein probleempje. Gitty heeft het in Turkije al eerder kunnen aanschouwen: zodra je mij een snorkel geeft, verdrink ik. Ik heb geen idee wat er gebeurd, maar snorkelen is aan mij niet besteed. Gelukkig kan ik prima mijn adem inhouden (zo lang dat de gids zich af en toe een beetje zorgen om me maakte) en met die ingehouden adem kon ik net zo goed het leven onder de waterspiegel bekijken. De duikers onder jullie zal ik niets nieuws vertellen, maar het was buitengewoon wonderlijk en prachtig. De vissen op aanraakafstand voorbij zien zwemmen: kleine, razensnelle guppies, iets grotere vissen die zich met de hele groep gelijktijdig bewegen, erorme grote zwarte vissen die me wantrouwend aankeken, krabbetjes, planten die loom bewegen op de stroming van het water, het prachtige gefilterde licht... Bijna was ik de groep voorbijgedobberd op het punt waar we werden geacht de rivier uit te gaan: Nog een rondje!
Matto Grosso, de staat waarin Bonito ligt, staat naast zijn prachtige natuur bekend als het land van de gauchos. De staat telt 6 miljoen mensen en 25 miljoen koeien. En na de zwemtocht door de Sucuri heb ik me maar eens verdiept in het landleven. Vlakbij de rivier stond een grote Fazienda (mega-boerderij) waar een stel mannen met grote cowboyhoeden koeien aan het selecteren waren. De danig opgewonden beesten moesten door een soort sluis, waarna de grootste cowboyhoed bepaalde of het poortje naar links ("Ja, ik koop 'm") of naar rechts ("Nee") openging. De meerderheid van de koeien hier zijn nogal knokig, met veel te groot vel en een grote bult in de nek. Ik heb inmiddels geleerd dat het vlees van deze koeien niet echt lekker is, maar dat ze prima kunnen overleven op het taaie gras in Matto Grosso. Natuurlijk maakte ik mezelf weer volslagen belachelijk door blij te roepen "Tjee, kijk die grote stier eens!" bij het zien van een (eerlijk waar, belachelijk grote) koe. Stadskindje...De gauchos kom je, met paarden of grote camionettas, ook tegen in de dorpjes in de omgeving en op vrijdag gaan ze gezellig met zijn allen stappen in Campo Grande, de hoofdstad van Matto Grosso. Ze lijken, met hun hoeden en laarzen, in de grote stad volkomen "out of place". En afgezien van hun aanwezigheid, vind je de hoeveelheid vee in deze staat natuurlijk vooral terug op je bord. Want Brazilianen houden van vlees, véél vlees. De meeste porties hier zijn genoeg voor twee (of drie van mij). Een eetcultuur waarmee ik inmiddels heb kennisgemaakt zijn de restaurants "por quilo", waar je bij een buffet kunt opscheppen wat je wilt, om het later aan de kassa "per kilo" af te rekenen. Gevaarlijk natuurlijk, want ze zorgen er echt wel voor dat alles er zo lekker uitziet dat je je bord méér dan vollaadt!
Ik schreef het de vorige keer al: bij het passeren van de Braziliaanse grens verdween op slag het derde-wereld-gevoel. Veel mensen in modieuze kleding, met mobieltjes en stukken minder mensen die wezeloos op staat hangen (vooral veel minder kinderen ook). Ik besef heel goed dat dit in andere delen van Brazilië waarschijnlijk anders is, maar voorlopig valt het op. En dat niet alleen. Al in geen maanden heb ik de wegen, straten en bermen zo schoon gezien als hier! Voor iemand die in Nederland is opgegroeid zit de afschuw voor "dingen op staat gooien" er diep in. En Bolivianen en Peruanen gelijk lijken zich niets aan te trekken van de enorme zooi in hun prachtige landen. Soms krijg je ineens door hoe dat komt. Een Peruaans vriendinnetje, die wist hoe verontwaardigd ik werd van afval op straat keek hóógst verbaast toen ik mijn pindadoppen wél in de berm gooide. "Maar?!"... En toen moest ik proberen uit te leggen dat plastic en alumninium (snoepzakjes bijvoorbeeld) járen, soms decennia, blijven liggen en niet, zoals zij altijd had begrepen, binnen enkele weken verbranden door de zon. De Braziliaanse scholen schijnen de laatste jaren flink te inversteren in het milieubewustzijn van hun leerlingen. Terecht, met zo'n prachtig land, en laten we vooral hopen dat de vuilnisbelt hier beperkt blijft!
De bus van Campo Grande naar Rio nam 22 uur in beslag, maar met de Braziliaanse bussen is dat geen straf. Reclinable stoelen die beter sliepen dan veel hotelbedden in de afgelopen 3 maanden, prachtige gladde wegen en grote ramen met daarachter eindeloos veel sterren. 's Ochtends vroeg passeerden we São Paulo. Alleen het passeren in bus van deze miljoenenstad kostte al meer dan drie kwartier. In die tijd heb ik 5 McDonalds, 2 sambascholen, 3 voetbalstadions en 3 sloppenwijken gezien. Daarna nog een paar uur ongeduldig wachten op de eerste blik op Rio. Deze kwam toch nog sneller dan verwacht, maar dat kwam dan weer vooral omdat ik was vergeten dat het in Rio een uurtje later is dan in Matto Grosso. En omdat mijn horloge het even af laat weten na het raften, ben ik qua tijd helemaal een beetje de weg kwijt. Aangekomen in Rio gelijk in het diepe. Een aardige meneer uit de bus begon al met allemaal waarschuwingen en tips. Ik besloot eerst maar eens een hotel te bellen. Gelukkig dook mijn Braziliaanse vriend weer op toen ik Spaans aan het praten was tegen een onwillige hotelklerk. Zonder pardon nam hij de hoorn van me over "Zeventig real?" hoorde ik hem zeggen. En terwijl ik hard knikte riep hij iets in de hoorn dat leek op "Doe normaal man!". Toen hij me vervolgens aankeek en "Vijftig?" vroeg, wist ik niet hoe snel ik mijn duim op moest steken. Vervolgens ging hij mee naar buiten om daar verschrikkelijk ruzie te maken met drie taxi-chauffeurs tegelijkertijd. Voor ik met de taxichauffeur meeging (die kwalificeert voor de meest onbeschofte die ik ooit ben tegengekomen) kreeg ik nog zijn telefoonnummer mee voor als ik meer hulp nodig had.
Mijn hotelkamer blijkt uitgerust met televisie met pornokanaal en een nogal kinky spiegel naast het bed. Het lijkt erop dat niet iedereen deze kamer de hele nacht nodig heeft. Maar het hotel ligt ook 1 blok van 's werdeld beroemdste strand: De Copacabana! Dus bijna drie maanden na de Pacific heb ik gisteravond even naar jullie gezwaaid vanaf mijn kant van de Atlantic: "Dag mam!"Over de Copacabana, en de rest van Rio, de volgende keer.
En tussendoor heb ik dan ook nog wel écht wat ondernomen. Het plaatsje waar ik zat heet Bonito en zoals de Brazilianen zelf al aangeven: Bonito é bonito ("Bonito is mooi!"). De bustocht er heen was op zich al een belevenis. Grote borden waarschuwden voor overstekende herten, krokodillen en slangen. Mijn uit-het-raam-kijk-score betrof een heleboel vreemdsoortige vogels, een platgereden hyena en een miereneter die volslagen in de stress raakte toen de hele bus stopte en iedereen met zijn neus tegen het raam ging zitten. Verder weilanden vol koeien en palmbomen tegen zo'n kitcherige roze airbrush-lucht. Bonito zelf is uitvalsbasis voor een heleboel verschillende natuur-activiteiten. Zo ben ik een dagje wezen raften (stiekum was het meer een beetje dobberen en hier en daar met een grote plons van een waterval af) en heb ik een enorme grot bekeken vol stalagtieten en -mieten en een felblauw meer. Het hoogtepunt was echter wel een zwemtocht door de Rio Sucuri (ik hoorde pas later dat "Sucuri" Portugees is voor "anaconda"). Door een mooi uitgevallen foutje van de natuur heeft deze rivier een grote hoeveelheid calcium in haar wateren, dat alle vuil absorbeert en op de bodem doet neerslaan. Het gevolg is dat de rivier zo helder is als een pas gereinigd aquarium en dat je onderwater métersver kunt kijken. De rivier zit bovendien vol met enorme vissen en prachtige waterplanten. En nee Martijn, je mag er niet vissen! Maar zwemmen, of eigenlijk, dobberen, mag wel. Je wordt namelijk in een wetsuit en zwemvest gehesen waarna je je, gewapend met duikbril en snorkel, met de stoom mee laat drijven. Je wordt vriendelijk verzocht niet te hard te bewegen, om toch vooral de vissen maar niet te laten schrikken. Helaas had ik een klein probleempje. Gitty heeft het in Turkije al eerder kunnen aanschouwen: zodra je mij een snorkel geeft, verdrink ik. Ik heb geen idee wat er gebeurd, maar snorkelen is aan mij niet besteed. Gelukkig kan ik prima mijn adem inhouden (zo lang dat de gids zich af en toe een beetje zorgen om me maakte) en met die ingehouden adem kon ik net zo goed het leven onder de waterspiegel bekijken. De duikers onder jullie zal ik niets nieuws vertellen, maar het was buitengewoon wonderlijk en prachtig. De vissen op aanraakafstand voorbij zien zwemmen: kleine, razensnelle guppies, iets grotere vissen die zich met de hele groep gelijktijdig bewegen, erorme grote zwarte vissen die me wantrouwend aankeken, krabbetjes, planten die loom bewegen op de stroming van het water, het prachtige gefilterde licht... Bijna was ik de groep voorbijgedobberd op het punt waar we werden geacht de rivier uit te gaan: Nog een rondje!
Matto Grosso, de staat waarin Bonito ligt, staat naast zijn prachtige natuur bekend als het land van de gauchos. De staat telt 6 miljoen mensen en 25 miljoen koeien. En na de zwemtocht door de Sucuri heb ik me maar eens verdiept in het landleven. Vlakbij de rivier stond een grote Fazienda (mega-boerderij) waar een stel mannen met grote cowboyhoeden koeien aan het selecteren waren. De danig opgewonden beesten moesten door een soort sluis, waarna de grootste cowboyhoed bepaalde of het poortje naar links ("Ja, ik koop 'm") of naar rechts ("Nee") openging. De meerderheid van de koeien hier zijn nogal knokig, met veel te groot vel en een grote bult in de nek. Ik heb inmiddels geleerd dat het vlees van deze koeien niet echt lekker is, maar dat ze prima kunnen overleven op het taaie gras in Matto Grosso. Natuurlijk maakte ik mezelf weer volslagen belachelijk door blij te roepen "Tjee, kijk die grote stier eens!" bij het zien van een (eerlijk waar, belachelijk grote) koe. Stadskindje...De gauchos kom je, met paarden of grote camionettas, ook tegen in de dorpjes in de omgeving en op vrijdag gaan ze gezellig met zijn allen stappen in Campo Grande, de hoofdstad van Matto Grosso. Ze lijken, met hun hoeden en laarzen, in de grote stad volkomen "out of place". En afgezien van hun aanwezigheid, vind je de hoeveelheid vee in deze staat natuurlijk vooral terug op je bord. Want Brazilianen houden van vlees, véél vlees. De meeste porties hier zijn genoeg voor twee (of drie van mij). Een eetcultuur waarmee ik inmiddels heb kennisgemaakt zijn de restaurants "por quilo", waar je bij een buffet kunt opscheppen wat je wilt, om het later aan de kassa "per kilo" af te rekenen. Gevaarlijk natuurlijk, want ze zorgen er echt wel voor dat alles er zo lekker uitziet dat je je bord méér dan vollaadt!
Ik schreef het de vorige keer al: bij het passeren van de Braziliaanse grens verdween op slag het derde-wereld-gevoel. Veel mensen in modieuze kleding, met mobieltjes en stukken minder mensen die wezeloos op staat hangen (vooral veel minder kinderen ook). Ik besef heel goed dat dit in andere delen van Brazilië waarschijnlijk anders is, maar voorlopig valt het op. En dat niet alleen. Al in geen maanden heb ik de wegen, straten en bermen zo schoon gezien als hier! Voor iemand die in Nederland is opgegroeid zit de afschuw voor "dingen op staat gooien" er diep in. En Bolivianen en Peruanen gelijk lijken zich niets aan te trekken van de enorme zooi in hun prachtige landen. Soms krijg je ineens door hoe dat komt. Een Peruaans vriendinnetje, die wist hoe verontwaardigd ik werd van afval op straat keek hóógst verbaast toen ik mijn pindadoppen wél in de berm gooide. "Maar?!"... En toen moest ik proberen uit te leggen dat plastic en alumninium (snoepzakjes bijvoorbeeld) járen, soms decennia, blijven liggen en niet, zoals zij altijd had begrepen, binnen enkele weken verbranden door de zon. De Braziliaanse scholen schijnen de laatste jaren flink te inversteren in het milieubewustzijn van hun leerlingen. Terecht, met zo'n prachtig land, en laten we vooral hopen dat de vuilnisbelt hier beperkt blijft!
De bus van Campo Grande naar Rio nam 22 uur in beslag, maar met de Braziliaanse bussen is dat geen straf. Reclinable stoelen die beter sliepen dan veel hotelbedden in de afgelopen 3 maanden, prachtige gladde wegen en grote ramen met daarachter eindeloos veel sterren. 's Ochtends vroeg passeerden we São Paulo. Alleen het passeren in bus van deze miljoenenstad kostte al meer dan drie kwartier. In die tijd heb ik 5 McDonalds, 2 sambascholen, 3 voetbalstadions en 3 sloppenwijken gezien. Daarna nog een paar uur ongeduldig wachten op de eerste blik op Rio. Deze kwam toch nog sneller dan verwacht, maar dat kwam dan weer vooral omdat ik was vergeten dat het in Rio een uurtje later is dan in Matto Grosso. En omdat mijn horloge het even af laat weten na het raften, ben ik qua tijd helemaal een beetje de weg kwijt. Aangekomen in Rio gelijk in het diepe. Een aardige meneer uit de bus begon al met allemaal waarschuwingen en tips. Ik besloot eerst maar eens een hotel te bellen. Gelukkig dook mijn Braziliaanse vriend weer op toen ik Spaans aan het praten was tegen een onwillige hotelklerk. Zonder pardon nam hij de hoorn van me over "Zeventig real?" hoorde ik hem zeggen. En terwijl ik hard knikte riep hij iets in de hoorn dat leek op "Doe normaal man!". Toen hij me vervolgens aankeek en "Vijftig?" vroeg, wist ik niet hoe snel ik mijn duim op moest steken. Vervolgens ging hij mee naar buiten om daar verschrikkelijk ruzie te maken met drie taxi-chauffeurs tegelijkertijd. Voor ik met de taxichauffeur meeging (die kwalificeert voor de meest onbeschofte die ik ooit ben tegengekomen) kreeg ik nog zijn telefoonnummer mee voor als ik meer hulp nodig had.
Mijn hotelkamer blijkt uitgerust met televisie met pornokanaal en een nogal kinky spiegel naast het bed. Het lijkt erop dat niet iedereen deze kamer de hele nacht nodig heeft. Maar het hotel ligt ook 1 blok van 's werdeld beroemdste strand: De Copacabana! Dus bijna drie maanden na de Pacific heb ik gisteravond even naar jullie gezwaaid vanaf mijn kant van de Atlantic: "Dag mam!"Over de Copacabana, en de rest van Rio, de volgende keer.
zondag, augustus 04, 2002
Latinoland 11: Gays, Transportación y Brasileiro
Zoals jullie kunnen zien heb ik de treinreis overleefd. Daarvan zo direct natuurlijk een volledig verslag, maar eerst nog een verhaaltje vanuit Santa Cruz.
Want toen ik daar aankwam werd het al met grote letters aangekondigd in de krant: Santa Cruz (en ik gok wellicht wel geheel Bolivia) zou haar eerste Gay-parade gaan beleven! De artikelen varieerden van verbazingwekkend openhartig met fotos van een travestie-verkleedsessie tot tenenkrommende stukken van "deskundigen" die meningen vertileerden waarvoor Imam el-Moumni zich een beetje zou schamen. De parade begon anderhalf uur te laat (want het zijn natuurlijk wel Latino-homos) en zou een rondje maken langs de centrale plaza. De mannen, in prachtige kostuums en met praalwagens, kwamen niet verder dan driekwart. Precies op het punt waar ik stond (tegenover de Boliviaanse televisie) ontstond een bottelneck. De toegestroomde mensen stonden zó ver op de weg, dat de praalwagen niet kon passeren. Zoiets kan natuurlijk gebeuren tijdens een massaal evenement, maar de sfeer was onaangenaam.Van de in de krant aangekondigde 1100 homos was er tenslotte een kleine groep van ongeveer 50 mannen, die zich onder politiebegeleiding door de massa worstelde. Met het nodige geroep van meest-machisto-machisto-mannen. De culturele verschillen die ik tijdens mijn reis (reizen) tegkom zijn soms lastig, vaak leuk en eigelijk nooit onoverkomelijk. Zij hebben hun manier en ik de mijne, iets dat ik zoveel moglijk probeer te respecteren. Maar soms, zoals deze vrijdag, is mijn onbegrip te groot en is relativeren (``Maar ze zijn anders opgevoed`) érg lastig! Wat er in ieder geval bleef hangen is een levensgrote bewondering voor de jongens en mannen die in DEZE wereld, zo openlijk, "uit de kast" durven te komen.
Ik heb ook besloten maar eens een vraag te beantwoorden die niemand durft te stellen: ¨Maar wat dóe je dan de hele dag?¨Er zijn dagen dat ik musea, kastelen of dierentuinen bezoek, maar natuurlijk niet iedere dag. En als ik dan ook niet werk of studeer, wat dóe ik dan in godsnaam de hele dag?!Kortgezegd: meestal hetzelfde als jullie. Ik eet, ik slaap, ik doe boodschappen, ik douche, was mijn kleren en ga uit. Maar(bijna) alles hier gaat gepaard met net iets meer uitdagingen dan in dagelijks Delft. Mijn vader ontving ooit een vakantiekaart van een leverancier. Hierop een stripje bestaande uit twee plaatjes: Het eerste toonde een man op een comfortabele driezitsbank, biertje in de hand, kijkend naar een breedbeeldtelevisie. Zijn vrouw stond in de keuken (het is al een oude kaart...) aan het kookeiland, naast de koelkast vol koud bier. Het tweede plaatje toonde hetzelfde stel op vakantie. Hij in korte broek op een klapstoeltje, koelbox met lauwe biertjes, zij kokend op een wankel butagasje.Beter kan ik het niet uitleggen! Maar de uitdagingen maken het reizen tot wat het is. Zoals wellicht bekend ben ik geen licht in het vinden van mijn weg in een vreemde stad. Hoezeer de Lonely Planet ook zijn best heeft gedaan op de plattegrondjes in mijn gids, aan mij is het niet besteed. En dus vraag ik de weg. Niet één keer, maar op iedere straathoek. Overgenomen van Peruaanse vrienden die op mijn Hollandse-ik-doe-het-zelf-wel-vraag "waarom zo vaak?", antwoorden dat je zo niet alleen zeker was, maar ook nog eens aan de praat raakte met allemaal mensen! En zo wordt doel (het vinden van het postkantoor) een middel om met mensen te praten. Boodschappen doen, het kopen van een nieuwe broek, of het naaien van een gat in mij fototas wordt een ontdekkingstocht door de stad of over de markt. Ik ontmoet mensen, kom op onverwachte plekken en proef nieuwe dingen. En dus is het: Hoera, vanmiddag ga ik gezellig batterijen kopen!
Dezelfde verstrengeling van doel en middel merk ik in deze verhalen. Al vanaf mijn achtste houdt ik tijdens de vakanties een logboek bij (cadeautje van onze buurvrouw, een schippervrouw, die vond dat je geen tocht kon maken zonder...en ze heeft gelijk gekregen). De laatste jaren hebben de geschreven varianten (volgeplakt met folders en stukjes van medereizigers) gezelschap gekregen van deze internetverhalen om het thuisfront op de hoogte te houden van mijn belevenissen. Maar meer en meer worden de verhalen een doel op zich. Ik ben zo nu en dan in de stad te vinden met een plastic tasje vol bierviltjes en beschreven buskaartjes met zaken die ik jullie toch vooral niet moet vergeten te melden. En zo worden de verhalen ook een middel. Jullie helpen me te onthouden, op te merken, verder te vragen, te verwoorden, verrast te blijven en te kijken met 100 ogen. Bedankt daarvoor. Gracias. Obrigada.
Sinds mijn aankomst in Lima heb ik me al op heel wat verschillende manieren verplaatst:
* Bussen natuurlijk, hét vervoersmiddel in LatijnsAmerika. De meeste tot nu toe rammelend en met als beste onderdeel vaak de stereo. Heb gehoord dat dat vanaf nu (Brazilie, Argentinie en Chili) beter wordt (de bussen, niet de stereos).
* Micros en combis, het vervoer in de steden. Omgebouwde amerikaanse schoolbussen en busjes met ingeschroefde stoelen. Om in te stappen moet je zwaaien; uitstappen door "baja!" te gillen of hard op de wand (of het plafond) te timmeren. Te laag (voor een Nederlandse) en veel te vol voor de hoeveelheid mensen binnen. Maar het kost bijna niks.
* Boten op het Lago de Titicaca, of de boten die de bus vervoerden net over de grens met Brazilie. Riksja-achtige fietsjes in Puno die je naar het meer brengen, een soort opgevoerde invaliden-autootjes in Ica. En natuurlijk taxis, variërend van in-verregaande-staat van ontbinding tot letterlijk uit elkaar vallend. Altijd met praatgrage chauffeurs. Santa Cruz had op onverklaarbare wijze hand weten te leggen op een grote hoeveelheid Engelse autos waarvan het stuur naar de juiste kant was verplaatst. Zodat je als passagier zat aan te kijken tegen de meters (die het verder toch niet doen) en een groot gat, datsoms was opgevuld met een glimmende Jesus of een paars pluche konijn met "I love you" op zijn buik.
*Het laatste hoogte (of wellicht wel diepte)-punt was de trein die me vanuit Santa Cruz naar de grens met Brazilie bracht.Zoals gezegd: de meeste medereizigers waren niet echt lovend over deze trip. De dag dat ik een kaartje ging kopen stond er toevallig een trein, zodat ik een blik kon werpen op alle 4 klassen stoelen die de trein rijk was. Het eerste treinstel wat ik bekeek zag er matig uit, niet buitengewoon comfortabel, maar niet zo desastreus als ik me had voorgesteld. Het bleek de Pulman-klasse, de op-een-na-duurste stoel uit de trein. De eerste en tweede klasse (aanmerkelijk goedkoper) bestonden uit onverstelbare houten bankjes, zuinig bekleed met iets dat door moest gaan voor een kussen in skai. Ik besloot (vanuit financiëleoverwegingen en een ¨Dood zal ik niet gaan¨-houding) voor de eerste klasse. Na 1,5 uur kreeg ik enigsinds pijn in de lagere lichaamsdelen...en toen moest ik nog 16,5 uur! Pardon, maak dat 20,5...verschillende dorpjes langs de route hadden deze dag namelijk uitgekozen voor het opwerpen van blokkades ("Het gas mag niet door Chili!") op het spoor. Om kort te gaan: Zon, heet, meer zon, skai bekleding, geen Bolivianes meer (we zijn tenslotte bijna in Brazilie!), onderhandelingen met stakers, zwetende buurjongens, eindeloze rijen verkopers die misbruik maken van de situatie, politiechecks, meer politiechecks, bagage 2,5 uur later dan ik (ander treinstel).....
En is dat nou erg? Neu....de dag na mij kwam de trein namelijk helemaal niet aan, de mensen in die trein hebben de hele dág vast gezeten! En daarbij....ik ben in Brazilie!En ja, het is écht anders. Het oversteken van de grens tussen Peru en Bolivia was zoiets als het oversteken van de grens tussen Nederland en Belgie: De mensen hebben een iets ander accent, ze eten wat meer chocola, de wegen zijn wat slechter en de algehele puinhoop wat groter. Maar Brazilie....Ineens lijkt de derde wereld heel ver weg. Net over de grens stap ik in een taxi met airco die niet rammelt (en duur!) en het verschil met de verlegen, teruggetrokken Bolivianen en de nieuwsgierige, laawaaige Brazilianen valt al heel snel op. En dan de taal... Na twee maanden is het verstaan worden zo gewoon geworden dat ik onmiddelijk een Spaans verhaal afsteek tegen de taxichauffeur. Het loopt allemaal heel soepel, tot de goede man terug begint te praten...Ehm?! Maar wat is het mooi! Deze mensen lijken de hele dag te zingen. En andermaal beloof ik mezelf dat na Spaans, Portugees mijn volgende taal wordt!Over Brazilie de volgende keer meer. Het boezemt me wat angst in om te reizen door en verhalen over Brazilie, aangezien er een aantal mensen meelezen die heel wat meer ervaring in en kennis over dit land. Ik hoop dan maar dat mijn naieve blik zal zorgen voor glimlachen en niet voor opgetrokken wenkbrauwen!
Abonneren op:
Posts (Atom)